
In Schotland heeft de legendarische zevende-eeuwse heilige Cuthbert een spoor van verhalen achtergelaten. Van papegaaiduikers en veldslagen tot zandsteengrotten en mirakels: een zoektocht naar Sint-Cuthbert staat garant voor een rijke ervaring.
Een typisch Schots zomerweertje. Staalblauwe lucht met wollige pluiswolken. Beetje fris. Groene gazons omzomen de indrukwekkende ruïnes van Melrose Abbey in de Scottish Borders.
Op deze plek, waar de cisterciënzers later in de twaalfde eeuw een kloosterzouden bouwen, begint een Schotse monnik zijn voettocht naar het eiland Lindisfarne, honderd kilometer zuidelijker in de Noordzee. Dwars door het later fel omstreden Schots-Engelse grensgebied trekt hij over de Cheviot Hills en door rivierdalen.
Wij kennen Cuthbert, want dat is zijn naam, van de grote supermarkt in Edinburgh die naar hem is genoemd. Maar hebben geen idee wie hij was. Tijd voor een speurtocht.
We ontdekken dat hij in 634 in de buurt van Dunbar aan de Noordzeekust is geboren. Te paard en met een speer in de hand meldt hij zich als zeventienjarige knaap bij de Keltische abdij in Melrose. Speer en paard geven aan dat hij van gegoede komaf was en geen eenvoudige boerenjongen, wat lang werd gedacht.

Het klooster was kort voor hij zich meldt door Sint-Aidan gesticht voor monniken van het eiland Iona. Als we hem weer tegenkomen, is hij een jaar of dertig en prior op Lindisfarne. Hij is in Northumberland actief als missionaris en verricht er en passant ook al wat wonderen.
Het kloosterleven is op den duur voor hem niet streng genoeg en hij trekt zich terug op een van de Farne-eilanden. Op Inner Farne, een kilometer of twaalf ten zuiden van Lindisfarne, bouwt hij een eenvoudige kluis. Tot hij in 684 wordt gekozen als bisschop van Lindisfarne leidt hij er een kluizenaarsbestaan en bouwt hij een speciale band op met de zeevogels, zoals papegaaiduikers en eidereenden.
Vooral die laatste hebben bij hem een streepje voor. In het plaatselijk dialect heten ze nog steeds Cuddy ducks. Na een paar bisschopsjaren keert hij toch weer terug naar zijn kluis en zijn eenden en overlijdt er in 687.
Kort na zijn dood blijkt Sint-Cuthbert niet op een mirakeltje meer of minder te kijken. Er gebeuren allerlei wonderen bij zijn graf. Dat maakt hem al snel de Wonderworker of England. En van Lindisfarne een populaire bedevaartplaats. Iedere kerk en elk klooster wil maar wat graag een reliek van hem hebben.
Aan het jarenlange gesjouw met zijn stoffelijk overschot maakt Sint-Cuthbert zelf een einde - via een visioen
Maar die zijn er niet. Het is in die tijd gebruikelijk stoffelijke resten na een aantal jaren op te graven. Gebeente vindt dan vaak door heel Europa zijn weg als reliek. Cuthbert blijkt, nadat zijn graf in 698 is geopend, echter gemummificeerd. Liefdevol bouwen de monniken voor hem een schrijn.
Een bijzondere, ronde grafsteen is in Melrose een mooi startpunt. Die is verbonden met Schotse trots en historie: eenvoudig, versierd met een gevlochten lijnenspel van een hart en het kruis van de heilige Andreas, beschermheilige van Schotland.

Pictenkoning Angus II, bang dat zijn kleine leger een veldslag zal verliezen, heeft gezworen Sint-Andreas beschermheilige van zijn land te maken als die hem de overwinning zal schenken. Tijdens de winnende slag verschijnt er een wit andreaskruis in de blauwe lucht. Al twaalf eeuwen is dat de vlag van Schotland, de Saltire.
Het stuk grijze graniet bedekt de plek waar het hart van hun grote held, koning Robert the Bruce, is begraven. In de voor zijn koninkrijk beslissende slag bij Bannockburn hakt hij een dubbel zo groot Engels leger in de pan. Het speelt zich allemaal af rond 1300.
Een paar kilometer verder ligt nog een ruïne, de norbertijner Dryburgh Abbey. Hier krijgt in 1832 een andere beroemde Schot zijn laatste rustplaats: sir Walter Scott, schrijver van Ivanhoe.
Na Wooler, zo’n slaperig, typisch Engels marktstadje dat regelrecht uit een Dickensverhaal lijkt te komen, verschijnt even voorbij Holburn aan de horizon boven de goudgele graanvelden de donkergroene bosrand van St Cuthbert’s Cave Wood.

Een pad vol wilgenroosjes leidt naar de zandsteengrot van de National Trust. Hier verstoppen de monniken van Lindisfarne zich in 785, op de vlucht naar Ierland, met de stoffelijk resten van hun heilige voor de plunderende Noormannen. Ze hebben ook hun belangrijkste kloosterschat, de Lindisfarne Gospels, bij zich.
Op een met gaspeldoorn bedekt heuveltje zien we aan de horizon de kust van onze dagbestemming. Een glinsterende zee omspoelt pelgrimseiland Lindisfarne.

“Let goed op wanneer het vloed wordt. Anders zit je uren op het eiland vast”, waarschuwt Christine Humphrey in Fenwick. Na de spoorbaan begint de verhoogde weg die Lindisfarne met de vaste wal verbindt. Lange palen markeren de Pilgrim’s Way over het wad. Een reddingshuisje moet uitkomst bieden aan onvoorzichtige pelgrims.
Met rozen begroeide huizen omringen een parkje. Middenin tuurt een drie meter hoge Sint-Aidan, Lindisfarnes eerste bisschop, naar de kust van Northumberland.

Zijn priorij ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste christelijke centra in West-Europa. Beeldhouwster Kathleen Parbury gaf het prachtige beeld van de Ierse missionaris een fakkel in de ene en een bisschopsstaf in de andere hand.
Naast de ruïne van de middeleeuwse abdij imponeert een tweede beeld. Dit is andere koek. Hier zit krachtig en expressief een biddende Cuthbert of Farne van Fenwick Lawson.

Als derde beeldhouwer heeft het zeeklimaat danig huisgehouden in de ruïne. Regen en wind hebben veel van de zandsteen in uiterst curieuze vormen geërodeerd.
Hier schreef bisschop Eadfrith eind zevende eeuw de Lindisfarne Gospels. De British Library koestert het in Londen als het belangrijkste religieuze Britse manuscript. Het is gedigitaliseerd en je kunt er vanuit je luie stoel op internet in bladeren. Een betoverend mooi, middeleeuws handschrift gaat voor je open.

In een half uurtje varen we van vissersdorp Seahouses naar National Trust-vogelreservaat Inner Farne. Een bezoek aan de Sint-Cuthbertkapel zit er helaas niet in. De zee is te ruw om aan land te gaan. We stellen ons tevreden met het zoeken naar net geboren zeehondjes.
Aan het jarenlange gesjouw met zijn stoffelijk overschot maakt Sint-Cuthbert zelf in 995 een einde. In een visioen vraagt hij de monniken die op dat moment weer eens met hem op pad zijn om hem in Durham te begraven.
Dat gedoe met die getijden zat de Apostel van het Noorden kennelijk niet lekker. Zo nam Durham in de middeleeuwen de eer als populairste pelgrimsplaats van Engeland over van Lindisfarne.
De legenden krijgen een nieuwe impuls in 1540 als koning Hendrik VIII opdracht geeft Sint-Cuthberts schrijn te vernietigen. Een bericht uit die tijd meldt: “They approached near his body, expecting nothing but dust and ashes, but they found him lying whole uncorrupt with his face bare, and his beard as of a fortnight’s growth.”

Ze vonden geen stof en as, maar een onaangetaste heilige met een baard van twee weken! In 1827 gaat de kist weer eens open en vindt men niet alleen gebeente, maar ook zijn zevende- of achtste-eeuwse borstkruis. Dat is met zijn eiken doodskist uit 698 nu het pronkstuk van het Treasury Museum in de kathedraal.
Fransen weten hoe je kathedralen bouwt, maar Engelsen kunnen er ook wat van. Willem de Veroveraar geeft opdracht er een voor Sint-Cuthbert in Durham te bouwen. Op Millennium Square vinden we bij toeval Fenwick Lawsons bronzen beeld The Journey. Het is een afgietsel van het oorspronkelijke houten beeld van zes monniken met een kist dat we in St. Mary’s Church op Lindisfarne zagen.
Er zijn geen artikelen gevonden