
Eindelijk weer eens een echt pak sneeuw! Toen het viel, was het ook nog eens precies de goede temperatuur om het lekker te laten hechten. De oostenwind blies het consequent tegen één kant van de huizen, bomen, auto’s en meidoorns aan, zodat alles in banketbakkerskantwerk veranderde.
Merkwaardig hoe zoiets de blik op je omgeving als bij toverslag kan omkeren. Want half februari is in principe een tijd van het jaar dat de wereld moe is. Omdat het zelden echt winter wordt, is alles nat, kil, klam en modderig.
Het gras op de weilanden ziet eruit alsof het uit een potje ingemaakte sperziebonen over de wereld is uitgesmeerd. En de mensen: die voelen zich óók alsof ze uit een potje ingemaakte sperziebonen over de wereld zijn uitgesmeerd. En dan, toch weer, plotseling die vorst met zijn poedersuikerkanon.
De laatste weken waren, kerkelijk gesproken, nogal erg van de deprimerende drab. Het was hier weer eens een komen en gaan van priesters en religieuzen van rond mijn eigen leeftijd. Ik word volgend jaar vijftig, dus dat betekent een hoop midlife-gedoe. Dat is toch al een fase in het leven die tot gepieker leidt, maar in ons geval doet zich nog een probleempje extra voor.
Door de generatiekloof in de Kerk zitten we in feite al dertig jaar te wachten tot wij ook eens iets mogen vinden of doen. Toen we nog geen twintig waren en naar het seminarie gingen, vonden we al dat het anders moest. Wij hadden honger naar het mysterie en de betovering van God, en we waren ervan overtuigd dat de wereld die honger ook wel weer zou krijgen.
Omwille van de lieve vrede legden wij ons erbij neer dat we tot die tijd nog een poosje deprimerende kinderliedjes moesten zingen met vechtende bejaarden, in vernielde kerken vol lelijke tekeningen van kindertjes die daar maar één keer zouden binnenkomen: op de dag van hun eerste en laatste Communie.
Wij hadden honger naar het mysterie en de betovering van God, en we waren ervan overtuigd dat de wereld die honger ook wel weer zou krijgen
Misschien hebben wij de kans nooit gekregen om de patstelling te doorbreken, misschien ook hebben wij hem simpelweg niet gegrepen, omdat wij ondertussen tot lafheid waren opgevoed. Bang om voor onvolwassen of onpastoraal of ultraconservatief te worden versleten.
Of misschien ook wel simpelweg omdat wij ondertussen zodanig goed waren geworden in wachten dat wij in wachters waren veranderd: de cipiers van onze eigen meest wezenlijke verlangens. Mensen die er sterren in waren geworden voortdurend over hun eigen grenzen te worden gejaagd en dat nog normaal te vinden ook.
Enfin, de situatie is ondertussen veranderd. De vernielde kerken worden gesloten. De mooie trouwens ook. De laatste maanden vallen ook de kloosters van hun voetstuk. We zijn vijfentwintig jaar bezig geweest dat alles aan te zien komen, zonder iets te mogen doen of zelfs maar te vinden.
Nu zijn we klam, bruin en vaalgroen, alsof we uit een pot ingemaakte sperziebonen over de wereld zijn uitgesmeerd. Als we ooit nog eens iets van een lente willen beleven, is het misschien handig toch eens te beginnen ijzig woedend te worden over onze in beige banaliteit verspilde toewijding.
Pater Hugo Beuker is kluizenaar te Warfhuizen. Elke drie weken schrijft hij een column in Katholiek Nieuwsblad.
Er zijn geen artikelen gevonden