

380 aalmoezeniers en dominees boden geestelijke bijstand aan Nederlandse militairen tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog eind jaren veertig. Koos-Jan de Jager zoomt in Oorlog zonder genade in op hun rol: “Ook de geestelijken in uniform geloofden dat God wilde dat Nederland de orde herstelde.”
Aalmoezeniers en dominees bevonden zich van 1945 tot 1949 in de vuurlinie tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Ze waren getuige van martelingen, van het platbranden van dorpen en van willekeurige executies.
Koos-Jan de Jager beschrijft in zijn proefschrift Oorlog zonder genade hoe geestelijken het genadeloze optreden van het Nederlandse leger vrijwel kritiekloos aanvaardden. Hij onderzocht documenten die nog nauwelijks geraadpleegd zijn: rapporten van militaire geestelijken aan hun diensthoofden in Nederland, kranten en tijdschriften, maar vooral brieven en dagboeken van de geestelijken zelf.
De Jager spreekt consequent van de “Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog” in plaats van “politionele acties”, de naam die de Nederlandse regering gaf aan haar ingrijpen in wat zij nog steeds beschouwde als een Nederlandse kolonie.
“Dat is voor sommigen een ingewikkelde keuze. Je kunt niet helemaal neutraal over deze periode schrijven. Dus heb ik bewust aangesloten bij het recente historisch onderzoek. Zo’n term als politionele acties is een strategie geweest om de Verenigde Naties even een tijdje op afstand te houden. Maar als je ziet wat Nederland inzette – landingen met landingsvaartuigen, bombardementen, parachutisten – dan kun je dat moeilijk nog politioneel noemen.”
Dit militaire optreden in Indonesië genoot onder de Nederlandse bevolking brede steun, ook onder katholieken en protestanten. “Het christendom was sterk verweven met de Nederlandse identiteit”, zegt De Jager. “Dus als het land in oorlog is, dan wordt de Kerk er bij wijze van spreken automatisch in betrokken.”
“Nederlanders zagen de militaire operaties in Indonesië als een strijd tussen goed en kwaad. Vanaf het begin zijn ook de geestelijken in uniform ervan overtuigd dat Gods wil is dat wij de orde herstellen. Dan is er ook vrijwel geen limiet aan het geweld dat je mag plegen, want het kwaad moet je uitroeien. In dat soort termen wordt er gesproken.”
Nederlanders zagen de militaire operaties in Indonesië als een strijd tussen goed en kwaad
De geestelijke verzorgers hadden net zo min als de meeste andere militairen enig idee van wat hen te wachten stond in Indonesië. Ze dachten dat het Nederlandse leger de bevolking van terroristen ging bevrijden. Dat beeld werd bepaald door berichten uit de eerste tijd na de Japanse overgave, toen ongeregelde groepen Indonesische jongeren Nederlanders aanvielen en vermoordden.
“Eind 1945 krijgen kerkgangers te horen dat de Kerk in Indië op instorten staat. De Nederlandse bisschoppen vragen te bidden voor het bedreigde Indië. Dat vijandbeeld bepaalt de visie van de militaire geestelijken als ze naar Indonesië gaan en dat beeld verandert niet.”
“Ze zien alleen dat wat hun visie bevestigt: het zijn onbetrouwbare lui daar, rovers en moordenaars. Als de Nederlanders zich terugtrokken zou de kolonie ten onder gaan in anarchie. Dat de Indonesiërs bezig waren een staat te stichten, met een regering en een grondwet, dat de ongeregelde bendes werden ingetoomd en dat er in plaats daarvan een gedisciplineerd leger gevormd werd: daar hadden ze geen oog voor.”
“De militaire geestelijken spraken over de Indonesiërs in termen van een volk dat geleid moet worden naar de waarheid. Vrijwel niemand van hen kwam op het idee om de Indonesiërs naar hun mening te vragen. Dan hadden ze gemerkt dat hun geloofsgenoten daar vrijwel allemaal de Indonesische regering steunden: enkele van de Indonesische ministers waren christen.”
De Nederlanders realiseerden zich dat niet. Toen een van die ministers werd gearresteerd, vroeg hij of hij zijn Bijbel mocht meenemen. De Nederlandse militairen waren stomverbaasd.
Dat religie in die tijd nog zo’n grote rol speelde, verraste De Jager. “Ik ben zelf christelijk, maar ik heb een heel ander beeld van wat religie in het publieke domein doet. Wij zijn heel erg gewend dat geloof een privézaak is, tenminste in het Westen. Het verraste mij dat officieren zeggen: wij zijn een christelijke natie, een christelijk leger zelfs.”
“Het was echt een andere tijd. Ik heb dat best wel stevig aangezet, als een soort correctie. Historici denken te vaak dat religie iets in de marge is. Terwijl ik juist wil betogen dat je de rol van religie moet betrekken in je onderzoek om die oorlog goed te kunnen duiden en te begrijpen hoe mensen daar toen tegenaan keken.”
De militaire geestelijken spraken over de Indonesiërs in termen van een volk dat geleid moet worden naar de waarheid
De functie van geestelijk verzorger in de Nederlandse krijgsmacht was eigenlijk vrij nieuw. Al in de zestiende eeuw waren er protestantse geestelijken in het leger, maar de militaire leiding was er pas tijdens de Tweede Wereldoorlog het nut van gaan inzien.
“Tijdens de meidagen van 1940 stonden ze ineens aan het front en dan blijkt dat ze zeer gewaardeerd werden en dat ze het moreel en dus de gevechtskracht van het leger hoog houden. Later in de oorlog was te zien hoe geestelijken in het Britse en Amerikaanse leger zo veel mogelijk meeleefden met de manschappen om geaccepteerd te worden.”
In totaal gingen er 380 aalmoezeniers en dominees mee met de Nederlandse troepen naar Indonesië. Wat ze daar gingen doen, moesten ze grotendeels zelf uitzoeken. Onder de katholieken waren er die rechtstreeks uit het klooster kwamen. Ze wilden missionaris worden en kregen de belofte dat ze na hun diensttijd naar de missie mochten.
“Er waren vage richtlijnen: je bent er voor het religieuze, niet voor het militaire. Maar in oorlogstijd loopt dat allemaal door elkaar heen.” Daarbij hielden ze zich niet aan de regels. Het was niet de bedoeling dat ze in gevechten verzeild raakten en dat ze zelf wapens droegen. Dat laatste was zelfs verboden volgens de Conventie van Genève. Toch deden ze het. “
Ze wilden laten zien dat ze geen lafaards waren”, verklaart De Jager. “Dat zie je ook in andere legers gebeuren. Een deel droeg die wapens omdat ze er trots op waren en ook vanuit de redenering: ik moet me kunnen verdedigen, ik laat me hier niet afslachten. En als iemand dodelijk getroffen wordt, moet je als aalmoezenier zo iemand de laatste sacramenten kunnen toedienen. Dan moet je niet ergens ver weg achter de troepen zitten. Dan word je niet serieus genomen.”
De Nederlanders boekten militaire successen, maar onder zware internationale druk van de Verenigde Naties en vooral de Verenigde Staten keerde Nederland uiteindelijk terug naar de onderhandelingstafel. De Indonesische onafhankelijkheid was onvermijdelijk. Dat leidde tot verzet in Nederland, en uiteraard vooral onder de militairen: waar hadden ze dan voor gevochten? De militaire geestelijken behoorden tot de felste tegenstanders: ze waren in het kamp van de haviken terechtgekomen, schrijft De Jager.
Nederland is geen christelijke natie meer, voert geen koloniale oorlogen en de rol van de geestelijke verzorgers is veranderd. Kunnen zij tot nog lessen trekken uit dit verleden? “Jazeker”, zo reageert De Jager stellig. “Ze herkennen veel van die dilemma’s.”
“Een belangrijke les is volgens mij dat je als geestelijk verzorger in het Nederlands leger een burger bent, geen militair. Zorg er daarom voor dat je die onafhankelijkheid heel goed bewaakt. Je komt nu niet veel geestelijken meer tegen in de krijgsmacht die een bepaalde missie gaan verdedigen. Dat is een taak voor de politiek. Ze zijn er juist om tegenwicht te bieden. Daar zit de krijgsmacht misschien niet altijd op te wachten. Maar dat vind ik wel heel belangrijk. Gelukkig is dat in de loop van de twintigste eeuw heel erg veranderd.”
| ![]() |
Er zijn geen artikelen gevonden