fbpx
<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Archief

Prof. Bob Smalhout: ‘Wat valt er nog te stemmen?’

KN Redactie 6 juli 2015
image

“Twintig jaar hebben mijn collega’s me met de nek aangekeken. Omdat ik openlijk gesproken had over medische fouten. Dat deed je toen niet, hè? De zaak is nu verbeterd, maar niet zozeer dankzij de artsen. De patiënten zijn assertiever geworden. Vroeger kon je voor een liesbreukje op de operatietafel gaan en er dood vanaf komen. Dan zeiden de artsen: ‘Tsja, het bleek dat zijn hart het heeft opgegeven. Het kon niet tegen de narcose. We hebben nog als leeuwen voor zijn leven gevochten, maar dit is het noodlot. Hier kon niemand wat aan doen.’ En dan zei de familie; ‘Dank u wel dokter, voor al de moeite die u heeft gedaan.’ Nu zeggen ze: ‘Dit kunt u mij niet wijsmaken. Wij willen een onderzoek.’ Ziekenhuizen zijn een stuk voorzichtiger geworden.”

“Maar ja, zoals het gaat, de boodschapper van het slechte nieuws wordt onthoofd. Nu word ik vaak genoemd als degene die er het eerst op gewezen heeft. Laatst is een boek over klokkenluiders verschenen waarin ik word vermeld. Vind ik best leuk, hoor, maar ik heb er een hoop rottige jaren voor over moeten hebben. Mijn dochtertje had er ook van te lijden. Het was begin jaren zeventig. Je had van die linksige onderwijzers die er meteen op insprongen. Het kind kon geen goed meer doen. Als ze haar best deed, zeiden ze: ‘Jij wil zeker net zo’n uitslover worden als je vader?’ Als ze niet haar best deed: ‘Je zult het nooit zo ver schoppen als je vader.’ Als ze van zich afbeet: ‘Je hebt zeker net zo’n grote bek als je vader.’ (lacht) Echt waar.”

“Van wat ik hier over de vloer krijg, denk ik wel eens dat de Scholen voor Journalistiek broeinesten zijn van links denken. Ach, die studenten… Ze hebben geen behoorlijk onderwijs gehad. Dankzij de Mammoetwet zijn ze niet in staat een regeltje foutloos te schrijven. Ze weten niks, hun feitenkennis is miniem. Er is pas een enquête gehouden door het Historisch Nieuwsblad. De resultaten waren om te gillen: ‘Bonifatius was de eerste homoseksueel die ervoor uitkwam.’ ‘De Eerste Wereldoorlog begon in 1550.’ ‘Perestrojka is een ontzettend sterke Russische drank, sterker nog dan wodka.’ Zo ging het maar door.”

“Zelf heb ik twee pientere kleinkinderen. Kijk, dit zijn ze. (laat trots twee foto’s zien). Ik heb mijn dochter geadviseerd: ‘Ga naar Vlaanderen. Daar nemen ze onderwijs serieus, leren ze discipline, normen en waarden.’ Ze is geëmigreerd, woont in België nu. Toen haar kinderen, die hier heel goede leerlingen waren, getest werden door het hoofd van de school, zei die: ‘Intelligente kinderen, maar ze liggen wel twee jaar achter op hun leeftijdgenootjes.’ Hij zette hen een jaar terug, hoewel het er dus eigenlijk twee hadden moeten zijn. Ze moesten zich een jaar de pestpokken werken met drie uur extra huiswerk per dag. Toen pas konden ze zich daar handhaven. Dat is toch niet te geloven?”

“Pim Fortuyn. Ik kende hem al vele jaren uit het lezingencircuit. Ik luisterde naar hem en hij naar mij. Zo zijn we bevriend geraakt. Hij kwam hier bij mij thuis. En ik bij hem. Een serieuze man, erudiet, had veel gelezen. Een van de meest ontwikkelde mensen in de politiek. Buitengewoon eerlijk ook. Het plezierige was dat hij altijd eenvoudige taal gebruikte. Je had er nooit een woordenboek bij nodig. Iedereen kon het volgen, zelfs kinderen luisterden gespannen naar hem; iets wat ik bij politici nooit eerder heb meegemaakt. Sommigen noemden hem daarom een clown, anderen vonden het buitengewoon verfrissend. Dat hij tegen die hinderlijke Wouke van Scherrenburg zei: ‘Mens, ga toch koken!’, was toch een ontzettend leuke opmerking, niet? Als zij nou een slimme journaliste was geweest, had ze gezegd: ‘Goed, op voorwaarde dat u het opeet!’ of zoiets. Maar je gaat toch niet verontwaardigd lopen doen, als een kloosternon die in d’r billen is geknepen? Dan denk ik: Wat ben je toch een burgertrut.”

“Van begin af aan had ik in de gaten dat het flamboyante gedoe van hem een vorm van zelfverdediging was. Eigenlijk was hij een beetje bang voor het gezelschap waarin hij moest verschijnen. Dan dacht hij: laat ik maar beginnen met de aanval, dan zie ik wel hoe het loopt. Dus begon hij met iets te zeggen wat de mensen frustreerde. Als ze dan wat terugzeiden, was hij weer op zijn eigen terrein, want hij kon geweldig debatteren. Zo werkte dat bij hem. Hij deed het privé ook. Een beetje burgerlijke mensen hadden daar moeite mee, die noemden hem een pias. Maar als hij niet doodgeschoten was, was hij nu onze premier geweest. Dan waren de andere partijen weggevaagd. Zijn probleem was zijn eigen partij. Dat wist hij zelf het beste. Vlak voor de verkiezingen zei hij me dat hij doodsbang was. Waarvoor? Voor zijn eigen succes. Hoe kon hij een regering samenstellen? Veertig zetels laten bezetten? Het ging veel te snel. Omdat hij een openbaring was. Om het poëtisch te zeggen: de eerste waterbron in een volkomen uitgedroogde woestijn. Want dat is de rest van de politiek.”

“De intense gemeenheid van de zittende politici die op geen enkele wijze deze moord hebben willen voorkomen… Op de dag van de moord zag ik Wim Kok en Melkert met afgezakte gezichten op het scherm verschijnen. Ze zeiden dat ze er niet van konden slapen. Ik dacht bij mezelf: heb je van je leven ooit zo’n stel huichelaars gezien? Ik ben ervan overtuigd dat ze thuis de champagne koud hadden staan. Om feest te vieren dat ze van hun doodsvijand af waren. Maar zelfs na zijn dood heeft Fortuyn de PvdA nog kunnen torpederen. De rol van de pers? In Trouw schreef Matty Verkamman: ‘Jij vuile, kale nepprofessor, jij hebt de intelligentie van Adolf Hitler en de charme van Heinrich Himmler! Jij leeft van haat en daarom hoop ik dat je in die dark room van je zo gauw mogelijk aids krijgt.’ Dat wordt dan in een ‘kwaliteitskrant’ afgedrukt, ‘misschien wel het beste dagblad van Nederland’. Nou, je mag hem van mij op de wc hangen. Toch ondenkbaar dat een hoofdredactie zo’n tekst laat passeren? Zulke smerige taal, juridisch ook nog link. Maar bij Pim Fortuyn mocht het. Ze hebben er allemaal aan meegewerkt. Marcel van Dam, Paul Rosenmöller, Wim Kok. En toen Pim dood was, stonden ze tranen met tuiten te huilen voor de televisie. Nog nooit zo’n stelletje schooiers bij elkaar gezien. Zo onprofessioneel ook. Ik zie hen weer zitten, vorig jaar, na de gemeenteraadsverkiezingen. Het hele stelletje bij mekaar, in elkaar gezakt, als ter dood veroordeelden. Ad Melkert zag je hoe langer hoe dieper in zijn jasje wegzakken. Op het laatst leek het alsof er alleen nog maar een colbertje in die stoel zat. Als je politicus bent, stap je toch op de winnaar toe, geef je hem een hand en zeg je: ‘Meneer Fortuyn, ik feliciteer u met uw grandioze succes. U weet, ik ben het helemaal niet met u eens, maar ik hoop de komende jaren nog vele malen de degens met u te kruisen.’ Dan gedraag je je als een volwassen mens.”

“Ik vind Melkert een verachtelijk persoon. Kok trouwens ook. Kok heeft altijd al de boel belazerd. Het is een van de meest onoprechte mensen die ik ken, een zuivere hypocriet. Een typische kaviaarsocialist. Moet je zien wat hij nu aan commissariaten binnenhaalt, bij het grootkapitaal waar hij altijd zo tegen was. Als ik socialist was, zou ik mijn gezicht niet meer durven laten zien. Ik herinner me de beelden van Kok die met wapperende haren de arbeiders toespreekt: ‘Mannen, we pikken dit niet langer, de boel gaat plat.’ Moet je hem nu zien, in een maatkostuum, in zijn gepantserde auto die hij nog steeds heeft van de vorige regering, waarmee hij zich van het ene naar het andere commissariaat laat rijden. Dan denk ik: man, je bent de grootste schijthoop die ik ken. Na de dood van Fortuyn, toen de regering had besloten dat alle verkiezingspropaganda moest ophouden, speelde hij het klaar er toch nog een verkiezingsleus tussendoor te gooien. Mensen moesten in deze emotionele tijd stemmen met hun verstand, niet met hun hart. Als ik in die studio was geweest, had ik hem een klap in zijn gezicht gegeven.”

“De dood van Fortuyn heeft me duidelijk gemaakt wat een kloof er gaapt tussen de officiële politiek en de Nederlandse bevolking. We leven in een democratie, zegt men. Maar wat stelt die democratie voor? Alleen via een gevestigde partij kun je iets bereiken. En dan moet je je nog voegen naar de partijdiscipline en mag je nauwelijks eigen ideeën ontwikkelen. Ons democratisch recht is dat we een keer in de vier jaar op een knoppie mogen drukken, achter de naam van iemand die we eigenlijk niet kennen. Voor de rest dienen we onze mond te houden en te slikken wat er over ons wordt beslist. Wat is uw en mijn inbreng geweest bij de introductie van de euro? Bij de vereniging van Europa? Bij al de wetten en regels uit Brussel? Zo door en door rot. De doodgewone, simpele mensen voelen dat aan. Die hebben allemaal het gevoel: wat heeft het allemaal nog voor zin? Eén keer hebben we uitzicht gehad op een betere toekomstpolitiek. Maar Pim is vermoord. Dus denken ze: ‘Ze doen maar. Wat maakt het nog uit waar we op stemmen?'”