<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Archief

Zagen biologen vóór Darwin het beter?

KN Redactie 4 februari 2016
image

IJskristallen kunnen de fraaiste vormen aannemen, die echter vanuit natuurwetten geheel begrijpelijk zijn. Dergelijke ‘natuurwettige’ vormen vind je ook in het leven. Biochemicus Michael Denton noemt als voorbeeld het celmembraan, dat zich ‘vanzelf’ uitspreidt over het oppervlakte van de cel, dankzij de watermijding (hydrofobie) van de vetachtige elementen die het bevat. Er is geen enkele doelgerichtheid in het spel.

Echte universalia

Een dergelijke verklaring vanuit inherente eigenschappen heet ‘structuralisch’, legt Michael Denton uit in zijn nieuwe boek Evolution. A Theory Still in Crisis. Dit was de opvatting van veel biologen vóór Darwin. Het ontstaan van vormen probeer je dan terug te brengen tot de zelforganisatie van de materie op grond van inherente eigenschappen. Het gaat om echte ‘universalia’ en je komt er een heel eind mee.

Adaptieve maskers

Ook deze structuralisten ontkennen natuurlijk niet dat er ook aanpassingen aan de omgeving zijn. Alleen: een structuralist ziet die als ‘adaptieve maskers’ die als het ware geënt zijn op onderliggende ‘primaire patronen’. De grote waaier aan gewervelde ledematen – vinnen (zwemmen), handen (grijpen), vleugels (vliegen) zijn allemaal aanpassingen van hetzelfde grondpatroon, dat op zichzelf echter geen enkele bijzondere aanpassing dient: het is er gewoon.

Machines

Tegenover het structuralistisch paradigma, staat het functionalistische. Dit paradigma probeert biologische verschijnselen zoveel mogelijk te verklaren als aanpassingen. Dat betekent dat zo’n fundamenteel grondpatroon als de vijfvingerige ledemaat geen product is van een natuurwet, noch van tevoren gegeven was. Al de eerder genoemde variaties op het thema zijn dan stapje voor stapje ontstaan in de loop van de evolutie om het hoofd te bieden aan de druk van de omgeving. Deze zogenaamde homologieën komen tot stand met de natuurwetten slechts als randvoorwaarde. Denton: “Aanpassingen die op deze manier worden gebouwd zijn toevallig in de zin dat ze niet bepaald worden door natuurwetten. Volgens de functionalistische opvatting zijn organismes in wezen als machines, gelegenheidssamenstellingen van functionele delen, die gerangschikt zijn om bepaalde aanpassingsdoelen te dienen.”

Leidende biologen

Deze laatste opvatting overheerst momenteel in de wetenschap. Denton: “Alle darwinisten en dus de grote meerderheid van evolutiebiogen zijn per definitie functionalist, omdat alle evolutie volgens het klassieke darwinisme tot stand komt door cumulatieve selectie om functionele doelen te dienen.” Functionalisme en structuralisme zijn twee radicaal verschillende wetenschappelijke zienswijzen. Denton: “Het is buitengewoon te bedenken dat leidende biologen exact dezelfde empirische feiten in zulke verschillende richtingen zagen wijzen.”

Doorwerking

Het functionalisme heeft zozeer en al zo lang gedomineerd, dat het biologen al bijna niet meer lukt zich voor te stellen dat levende wezens een aanzienlijke mate van orde bevatten die voortkomt uit interne fysische beperkingen en niet het directe gevolg zouden kunnen zijn van enig aanpassingproces. Met andere woorden: dat die wezens zijn zoals ze zijn vanwege de doorwerking van een fundamenteel grondpatroon, dat met aanpassing aan de omgeving niets te doen heeft. Net zomin als ijskristallen dat hebben, hoe mooi ze ook zijn.

Just so stories

“Diepe patronen in de natuur die geen aanpassing zijn, liggen compleet buiten het bereik van Darwins mechanisme van natuurlijke selectie”, aldus Denton. “Zij noodzaken tot het aannemen van nieuwe causale mechanismen die uitgaan boven just so stories (oncontroleerbare gelegenheidsverklaringen, red.) en de toevalligheden van de geschiedenis. Ik suggereer dat het tijd is om het pre-darwinistische model van het leven opnieuw in overweging te nemen, tegelijk met de radicale structuralistische claim dat leven een integraal onderdeel van de natuur uitmaakt.” (KN/EvolutionNews)