Een traditie van eeuwen­ tegenover de waan van de dag

Lees al vanaf 0,20 p/d

Interview

Een 91-jarig leven lang kerkmuziek: ‘Ik heb altijd een melodie in mijn hoofd’

Peter Doorakkers

24 maart 2026

Organist Ger Pitti: "Ik heb mijn leven lang muziek mogen maken."
Foto: Peter Doorakkers

De term ‘kras’ is eigenlijk wat te zwak om Ger Pitti mee te omschrijven. Al zeventig jaar kruipt de Zuid-Limburgse musicus wekelijks achter het kerkorgel. Met zijn muzikaal pensioen is hij helemaal niet bezig. “Zolang de parochies het goed vinden, ga ik door.”

Ger Pitti (91) herinnert zich nog de eerste keer dat hij een Mis met orgelspel mocht opluisteren. “Twintig cent kreeg ik daarvoor”, grinnikt hij. “Ik zie me nog trots bij mijn moeder aankomen met mijn verdiensten.” De liefde voor het kerkorgel heeft hij niet van een vreemde.

Dankbaar

Pitti’s overgrootvader, grootvader en oom gingen hem voor achter de toetsen. Ook nam zijn vader hem al jong mee naar repetities van het plaatselijke kerkkoor in zijn geboorteplaats Sint-Geertruid. “Ik zong mee. Maar toen mijn oom – zijn broer – noodgedwongen moest stoppen als organist, zei mijn vader: ‘Ga jij dat maar doen’.”

Aldus geschiedde, en het zou de koers van zijn leven bepalen. Pianoles (“die docent heeft de hemel verdiend door mij les te geven”), orgelles en een conservatoriumopleiding volgden. Dat laatste was nog best bijzonder. “Ik mocht studeren, mijn broers en zussen niet.” Hij is er nog altijd dankbaar voor, hoor je tussen de regels door.

Engelenbeelden

Want hoewel een bestaan als beroepsmusicus “geen vetpot” was, “heb ik mijn leven lang muziek mogen maken. Ik had niets liever gedaan. Ik leef in de muziek, heb altijd een melodie in mijn hoofd. Klassieke muziek vooral. Daar geniet ik echt van”.

Pitti wijst op de talrijke engelenbeelden in zijn woonkamer. Een tastbare herinnering aan zijn vrouw, die gek was op de gevleugelde helpers. Ze overleed een paar jaar geleden, op tafel staat haar foto. “Ik heb veel aan haar te danken, zij stimuleerde me. En hoewel ik in die zeventig jaar met uitzondering van drie weken vakantie per jaar geen weekend vrij had, klaagde zij nooit. Dat heb ik heel erg gewaardeerd.”

'Ik wandel ieder dag een dik uur, dat heb ik mezelf opgelegd voor mijn gezondheid. Als dat lukt, lukt orgelspelen ook. Zolang de parochies het goed vinden wat ik doe, ga ik door.'

Organistenjubileum

Het was ook zijn vrouw die bij zijn 45-jarig organistenjubileum een feest organiseerde. “Ik vond dat niet nodig”, klinkt het. Ook zijn zeventigjarig jubileum in december vorig jaar had hij liever aan zich voorbij laten gaan: “Als ik mijn plicht goed doe, is het goed.”

Dat was alleen buiten de parochie gerekend, die hem eind vorig jaar in het zonnetje zette. De regionale krant De Limburger interviewde hem, net als KN nu. Pitti haalt de schouders op: “Al die lof is overdreven.”

Dieper geloof

Wat hem dan drijft om week na week achter het orgel te gaan zitten en koren te dirigeren? Zorgzaamheid voor de liturgie. Pitti kreeg het katholieke geloof “met de moedermelk ingezogen. Je ging gewoon naar de kerk, op de basisschool iedere dag voor de les. Maar door het organist zijn, is mijn geloof dieper geworden, omdat je echt voor de Mis moet zorgen”.

Die houding probeert hij ook over te brengen op de koren die hij dirigeert. “In de regel zingen die mooi. ‘Maar denk je wel eens na over wat je zingt?’ vraag ik dan. Meestal is het antwoord ‘nee’.” Hij vindt het jammer: een kerk is immers meer dan een concertzaal.

Hij zal in elk geval in zijn eigen spel uiting aan zijn overtuiging blijven geven. Wat bescheidener dan voorheen weliswaar, want noten lezen wordt steeds lastiger en monumentale orgelwerken lukken niet meer. “Doodjammer”, vindt Pitti, maar stoppen? Geen sprake van: “Ik wandel ieder dag een dik uur, dat heb ik mezelf opgelegd voor mijn gezondheid. Als dat lukt, lukt orgelspelen ook. Zolang de parochies het goed vinden wat ik doe, ga ik door.”

advertentie

Dit artikel delen: