

Georges Duby schildert een impressionant beeld van de evoluties in de middeleeuwse kunst. Dat beeld wordt echter overschaduwd door een haast marxistische analyse in termen van macht, met de Kerk als kop van jut.
“Toen het duizendste jaar na de geboorte van onze Verlosser uit de onbevlekte maagd was aangebroken, straalde er een lichtende morgen over de wereld.” Het optimisme van dit citaat uit een bisschoppelijke kroniek weerspreekt Duby: verbetering betekende, door uitbuiting, meer geld en macht voor de Kerk. En uit deze overvloed aan rijkdom ontwikkelde zich de kunst.
Een zware maar ware beschuldiging? Als expert in de kunstgeschiedenis brengt Duby een immense hoeveelheid middeleeuwse cultuur samen, die hij ontrafelt met een theologische, sociologische en economische loep. De eruditie druipt er met verfijnde stijl van af.
Door de afwezigheid van bronvermelding echter boet zijn beeld aan objectiviteit in, dus aan geloofwaardigheid. Begrijpt hij echt de middeleeuwse mens en diens geloof? Duby spint zijn verhaal uit over twee assen. Op de eerste as staat de rijke machthebber tegenover de arme massa. In de middeleeuwen wordt de macht verpersoonlijkt in keizers, koningen, graven en hertogen, heren, zakelijke burgers of overwinnende ridders.
En in paus en clerus. Daartegenover staat het machteloze, hongerige, angstige en verpletterde volk. Door uitbuiting, verovering en plundering groeit het bezit van de rijke en daarmee de kunst. De elite gaf de opdrachten aan de kunstenaars en arbeiders, en drukte daarin zijn stempel, zijn theologie, zijn propaganda, zijn hang naar eer en vermaak.
Op de tweede as die een lijn door Duby’s verhaal heentrekt, staat verzaking tegenover genot. Enerzijds is er de neiging in de Kerk om met de nodige dreiging de zondige genotscultuur te beteugelen. Terwijl de clerus zelf, aldus Duby, voortdurend vervalt in het andere uiterste, die van het opstapelen van rijkdom en het verfraaien van haar vertrekken.
Ook de wereld en vooral de opkomende riddercultuur – al wordt die ook beteugeld door codes – neigt naar jacht, gevecht en vrouwen. Naar genot dus, lichamelijkheid en levensvreugde. Met woord en beeld toont Duby de verschuiving aan van een kunst gericht op het zuivere en majesteitelijke goddelijke – waar de machthebber zich mee verheft – naar een meer profane en gevulgariseerde kunst van een bredere wereldse elite – waarmee zij zich in genot verheft.
Duby haakt in bij het jaar 1000, waar de laat-romaanse kunst verbonden was met het keizerrijk van Karel de Grote en de blijvende droom van een imperium. De Kerk neemt de keizer op, terwijl de kunst die keizer als goddelijk verheft, zoals ze God voorstelt als gekroonde eeuwige Heerser op een troon.
Geloof lijkt Duby iets 'magisch', waarmee het angstige volk gesust wordt door de ijdele clerus – een echo van Marx
Christus hangt hier niet als een lijdende aan het kruis maar als een zegevierende, zelfs gewapend. Glans drukt macht uit. Veranderingen brachten het einde van de invasies en verbetering in de landbouw. De stroom schenkingen en offers van de rijken en de massa, die zo Gods toorn willen bezweren en hun ziel willen vrijkopen, verrijkte de Kerk.
Met daarbij de theologische verschuivingen aan de Parijse universiteit ontpoppen zich de indrukwekkende gotische kathedralen. God wordt hierin Licht en de Menswording; het Evangelie en daarmee de mens komen centraler in beeld. De kathedraalornamenten vormen daarbij een inwijdingsprocedé en een propagandamiddel tegen de ketters.
Naarmate de veertiende eeuw nadert, verschuift het bezit naar de nieuwe rijken, de burgers en ridders, met hun idealen. Zij worden de opdrachtgevers voor de kunstenaars, die nu paleizen en burchten bouwen, en torens, standbeelden, grafmonumenten, sieraden en verfraaide harnassen maken.
De natuur en het (naakte) lichaam duiken hierin op, niet in hun abstractie of symbolische betekenis, maar realistisch of expressionistisch en als bron en teken van vermaak, van aards levensgenot en profane waarden. Een afglijden van waarheid, contemplatie en betekenis naar bevalligheid, geometrie en estheticisme.
Naast deze algemene analyse laat Duby plaats voor regionale verscheidenheid of tegenbewegingen. Toch ontgoochelt hij in zijn ongenuanceerd misprijzen van de “katholieke repressie”, die niets anders lijkt te doen dan “het volk uit te zuigen”, haar “dominantie te vestigen” en ketters uit te roeien, bezeten door eer en decoratiedrang.
Zelfs de heilige Bernardus was “een gewelddadige, bezeten door de toorn Gods”. Duby vertikt het te verwoorden dat de Kerk ook maar iets van goede werken deed, aalmoezen uitdeelde, beschaving bracht, werkgelegenheid en zingeving.
Geloof lijkt hem iets “magisch”, waarmee het angstige volk gesust wordt door de ijdele clerus – een echo van Marx. Nergens proef je de liefde voor God in de opbouw van de sacrale kunst, in het hart dat klopt in de liturgie van de kathedraal. Een oneer voor de bezielers, bouwers en weldoeners van misschien wel de grootste kunst ooit.
| Georges Duby, De kathedralenbouwers Uitgeverij: Noordboek Pagina’s: 448 | € 49,90 ISBN: 9789056155339> BOEK BESTELLEN | ![]() |
Er zijn geen artikelen gevonden