Een traditie van eeuwen­ tegenover de waan van de dag

Lees al vanaf 0,20 p/d

Een mystieke toverbal

Ik ben altijd gewend geweest om mij langere tijd met één studieonderwerp bezig te houden, en daar dan een flink diep gat in te graven. De laatste maanden moet dat anders, omdat ik voor deelnemers aan mijn ‘kluizenaarsdagboek’ elke week iets fris en fruitigs moet zien op te lepelen. Kek en hip en een beetje vreemd, het liefst. Hoe meer de ene week verschilt van de andere, hoe beter.

Onverwacht geinig

Eigenlijk ben ik daar tegen, want zo heb ik dat van mijn oudvader niet geleerd. Die zei altijd: “Als je als kluizenaar iets nieuws probeert, moet je het ook een tijdje doorzetten, zeker als het in eerste instantie niet echt een succes lijkt. Niet eindeloos, maar wel eventjes. Een jaartje of tien of zo.”

Van de hak op de tak springen heb ik dus met enig geweld moeten afleren. Toch vind ik het nu onverwacht geinig. Ik krijg er een soort kinderspeelzaalvrolijkheid van. Mijn werk is ineens een soort mystieke toverbal: elke keer als je hem uit je mond haalt, heeft hij weer een ander kleurtje. Bovendien lees ik dingen waar ik normaal niet op zou komen.

Twee weken geleden heb ik een tekst van Derrida (een beruchte postmodernistische nieuwlichter van het deconstructieve soort) tegen een brief van Hadewijch laten knallen (dat was eigenlijk wel meer puberaal dan kinderlijk, maar vooruit). Beide bleken verrassende overeenkomsten te vertonen (maar toch ook wel smerig met elkaar te vloeken).

Vorige week las ik met mijn leerlingen Hendrik Mande, een totaal vergeten schrijver uit de moderne devotie, uit het vijftiende-eeuwse Zwolle. Hij is vergeten omdat hij zo eenvoudig schrijft, maar precies daarom is hij eigenlijk relevanter dan ooit. Beatrijs en Hadewijch schrijven duizend keer knapper en subtieler, maar zijn dan ook alleen te snappen voor theologen.

Als je als kluizenaar iets nieuws probeert, moet je het ook een tijdje doorzetten, een jaartje of tien of zo

Massa’s mensen lezen Beatrijs en Hadewijch omdat ze vrouwenstudies of zoiets studeren. Ze snappen er ongetwijfeld geen ene bal van. Ze zouden beter eerst iets van Mande lezen, en daarna pas van Hadewijch, maar dat willen ze natuurlijk niet, want Mande was een man. Een witte ook nog, vermoed ik zo. Want dat waren de meeste mannen in Zwolle in de vijftiende eeuw, behalve misschien op Netflix, mocht dat zich ooit met Zwolle gaan bemoeien.

Mandes ziel was natuurlijk evengoed vrouwelijk. Alle zielen zijn vrouwelijk in mystieke geschriften. Ze zijn stuk voor stuk geschapen om Christus’ bruid te zijn en ze zijn trouwens ook allemaal zwart (doch schoon).

Hoe dan ook: deze week ben ik bezig met Dag Hammarskjöld. Dat was een Zweedse diplomaat die het schopte tot secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Hij stond bekend als een elitaire en hautaine kwallebak. Een buitengewoon vervelende meneer.

In 1961 verongelukte hij in Congo toen zijn vliegtuig neerstortte. Zijn familie vond zijn geestelijke dagboek terug, en hij bleek er de hele tijd een sprankelend mystiek leven op na te hebben gehouden. In 1957 schreef hij: “In uw wind. In uw licht. Hoe klein is al het andere, hoe klein zijn wij, en hoe gelukkig in datgene wat het enige grote is.”

Pater Hugo is kluizenaar te Warfhuizen. Elke drie weken schrijft hij een column in Katholiek Nieuwsblad.

Dit artikel delen: