<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Column

Brief aan Broeder Lorenzo (7): Verstoppen tijdens de gymles

Bas Rompa 5 maart 2019

In een persoonlijke zoektocht schrijft auteur Bas Rompa brieven aan zijn oude schoolmeester, broeder Lorenzo. De zevende brief: “Ik zag aan uw gezicht dat u erg bezorgd was…”

Weert, najaar 2018

Beste broeder Lorenzo,

Een keer per week verlieten we onder uw leiding de school en staken de Emmasingel over. Aan de overkant stond een reusachtig groot gebouw, dat pensionaat St. Louis heette. Het telde drie verdiepingen, op de bovenste waren slaapzalen voor jongens uit het hele land, ze werden internen genoemd. Verder bestond het gebouw uit klaslokalen, een eetzaal, een studiezaal met bibliotheek en een grote kapel.

U woonde in het gebouw dat er haaks tegenaan stond in de Schoolstraat. Toen we er voor de eerste keer waren, had u het raam aan gewezen van uw kamer op de tweede verdieping. Hij was niet erg groot, vertelde u, maar groot genoeg voor een bed, een kast en een bureau om de lessen voor te bereiden en in de Bijbel te lezen.

Wapperende pijen

We liepen onder een dikke poort door en kwamen op de ruime binnenplaats van het pensionaat. Er waren altijd wel jongens aan het voetballen, soms deden er ook een paar broeders mee. Dat vond ik een mooi gezicht, vooral het wapperen van hun pijen als ze naar de bal toe renden en hem een trap gaven. De pijen van uw kloosterorde waren van soepele stof, die in sierlijke plooien viel.

image
"Soms deden er ook een paar broeders mee met voetballen..." (Illustratie: Bas Rompa)

Rechts van de poort was een grote paarse deur, die we in gingen om door een lange gang met aan weerszijden hokken in het kleedlokaal van de gymzaal uit te komen. In het begin vond ik dat een vreemd woord, ‘kleedlokaal’, ik verwachtte dat er een groot kleed op de vloer zou liggen, zoals er thuis een kleed op de tafel en de kast lag. Het woord stond ook op de deur en iemand had er eens ‘om’ voorgezet, dat vond ik goed bedacht, want in het kleedlokaal moesten wij ons omkleden, dat wilde zeggen: we trokken onze bloezen, truien en broeken uit en onze gymschoenen aan. In ondergoed liepen we daarna de gymzaal in en gingen op de lange banken zitten.

Grappige namen

In een groot, open hok aan het eind van de gymzaal stonden allerlei gymtoestellen met grappige namen, u noemde ze ook op met een lachend gezicht: brug, bok, springpaard, evenwichtsbalk. Ik was blij dat u alleen de namen noemde, en ze niet gebruikte in uw gymlessen, broeder Lorenzo. Want de oefeningen die je erop moest doen, leken me nogal gevaarlijk, en ook de klimrekken boezemden me angst in.

Paniekerig

We begonnen altijd met rondjes rennen door de zaal, daarna haalde u al snel een paar ballen uit het hok en gingen we een spel doen. U verdeelde de klas dan in twee groepen, waarbij u er altijd voor zorgde dat elke groep ongeveer evenveel grote en sterke jongens als kleine en iele jongens telde.

“Ik vond het de fijnste gymles die ik van u kreeg”
- Bas Rompa

We waren met z’n zesenveertigen, dus elke groep bestond uit drieëntwintig spelers, maar in één gymles kwam u er twee tekort: Leo en Hans waren niet in de zaal, terwijl ze zich wel in het kleedlokaal hadden omgekleed! Ik zag aan uw gezicht dat u erg bezorgd was, u keek enigszins paniekerig om u heen en liep met snelle passen naar de deur van het kleedlokaal.

Nieuw balspel

Na tien minuten kwam u terug met Leo en Hans. Ze waren ontsnapt uit het kleedlokaal en hadden zich verstopt in een hok in de lange gang. Met de twee jongens naast u legde u uit dat het bij het nieuwe balspel dat we gingen leren erg belangrijk was dat je goed samenwerkte en dat je groep dus ook compleet moest zijn. U gaf het voorbeeld van een voetbalelftal, als dat moest spelen tegen een zestiental voetballers, had het elftal natuurlijk geen schijn van kans!

Opdracht

Maar u was door Leo en Hans op een idee gekomen, het balspel zouden we in een andere gymles leren, daar was geen tijd meer voor. U gaf ons de opdracht in kleine groepjes zoveel mogelijk gymtoestellen uit het hok te slepen en verspreid in de zaal neer te zetten. Ook de matten en de kisten met ballen moesten meedoen.

Toen het karwei geklaard was, zei u dat we ons allemaal moesten verstoppen. U ging bij een paal van het volleybalnet staan, die was de stok. U draaide zich om, hield uw handen voor uw ogen en begon af te tellen: tien, negen, acht… Wij stoven alle kanten uit en voordat u riep: ‘Ik kom jullie zoeken!’ hadden wij ons verborgen. Ik vond het de fijnste gymles die ik van u kreeg.

Een vriendelijke groet,

Bas Rompa