

Waarom het steeds gebeurt, weet ik niet goed. Maar sinds een week of twee, drie, overvalt me steeds de herinnering. Niet een herinnering van mijzelf, of mijn eigen daden, ik weet niet eens of de herinnering wel klopt. Het is een schets die ik voor me zie.
Mistig. Alsof ik het op een schilderij zie, een schets van Jan Mankes, of zo’n romantisch Hollands schilderijtje uit de late negentiende eeuw. Kale bomen, mistig gras, een riviertje dat we bijna horen kabbelen.
Toch is het wel iets van mezelf. Ook al zie ik het door een romantische bril, zoals we soms aan historische gebeurtenissen in zwart-wit denken. Wist u trouwens dat voordat de kleurentelevisie zijn intrede deed, mensen veel vaker in zwart-wit droomden?
Het is wel Rijnsburg, het dorp waar ik opgroeide; de Rijn, het water waaraan ik opgroeide en de mensen met wie ik opgroeide – te verdelen in enerzijds patserige en anderzijds zwijgzame, mysterieuze mannen.
Dit gaat over die laatste groep. Ik kende ze niet. Ze woonden in het dorp, wisten we, maar ze waren buitenstaanders, over het algemeen. Niet dat ik een van die patserige mannen was, noch mijn familie, maar die zwijgzame mannen behoorden tot een andere groep. Of misschien behoorden ze niet tot een groep en was dat nu juist de essentie waarom ze deden wat ze deden.
Tegelijkertijd was wat ze deden niets en van alles tegelijkertijd: ze visten.
’s Ochtends gingen ze zitten op een zelf meegebrachte stoel. Sommigen hadden een plastic stoel, anderen een professionele – zwart kussentje met zilveren omhulsel en talloze laatjes en deurtjes met verschillende soorten voer en haakjes. Ze zetten hem in het gras. Gooiden (wierpen is volgens mij hoe een kenner dat zou noemen) de hengel uit, namen een hap van hun bammetje, rookte een sigaretje – of vaker een zelf gedraaid “shaggie”.
Kan God nog bestaan in een wereld waarin de vissers verdwenen zijn?
En dan wachtten ze. Een hele dag, soms kwamen ze de dag erna weer terug, turend naar het water. Ze zaten daar. Verder niets. Ochtenddauw, de middag en dan bij het vallen van de avond vertrokken ze weer. Het was een kunst, vond ik altijd, om daar te zitten. Ik voelde ook altijd een soort verlangen om zo te zijn.
Lucebert dicht: “Onder wolken vogels varen/onder golven vliegen vissen/maar daartussen rust de visser.” Zij, meesters van de stilte, kapiteins van de rust, konden dat. Wat hen bewoog, weet ik niet.
Zouden zij nog bestaan? Die zwijgzame, shag rokende, bammetjes etende vissers die uren voor zich uit konden turen, de leegte in – althans, zij zagen misschien dingen die ik niet zag, hoe het water stroomde, wat dat betekende voor het weer, waar de vissen zich schuilhielden. Of zijn ze verdwenen?
Lucebert sluit het gedicht met: “Golven worden hoge wolken/wolken worden hoge golven/maar intussen rust de visser.” Misschien rust de visser ook wel, vernietigd door de smartphone, onmogelijk om nog uren voor zich uit te staren.
En steeds denk ik: was Jezus een visser van mensen – waren zij niet de luisteraars naar God, wiens fluistering hoorbaar is in het geruis?
Kan God nog bestaan, is de vraag waar ik steeds over nadenk, in een wereld waarin de vissers verdwenen zijn?
Peter van Duyvenvoorde is schrijver en filosoof. Elke drie weken schrijft hij een column in Katholiek Nieuwsblad.
Er zijn geen artikelen gevonden