
Ik was al jaren niet naar de Katholieke Jongerendag geweest. De laatste keer dat ik er was (toen was ik een jaar of dertien) was er zo’n rodeostier waar je een ritje op kon maken, mocht je indoor bungeejumpen en kreeg je een gratis Radio Maria-spaarpot als je langs hun standje liep.
Aan het eind van de dag zat mijn spaarpot dan vol met plastic embryo’s van drie maanden: die kreeg je in je handen geduwd door zusters, waar je ook liep. Mijn broer was toen zestien en weinig assertief; hij had uit beleefdheid een of ander vaag formulier ingevuld, waarna er maandelijks een zekere “father John” bij ons thuis langskwam. We hebben nooit geweten wat hij nu eigenlijk kwam doen.
Dit jaar geen father John of rodeostier op de KJD. Wel een stuk meer jonge bekeerlingen dan vijftien jaar geleden. Er zaten er een paar achter me tijdens de openingsmis, en ik wist al meteen hoe laat het was toen ik hun reacties hoorde op het koortje dat het podium besteeg voor het openingslied: “Misschien gaan ze wel Palestrina zingen.” “Denk het niet.”
Tijdens de rest van de Mis klonk er af en toe zacht gegrinnik en zo nu en dan een licht cynische opmerking. Vooral toen er door sommige jongeren op het ritme geklápt werd tijdens het slotlied – quelle horreur! Het kostte me veel moeite om me niet om te draaien en die jongens een draai om hun pasgedoopte oren te geven.
Misschien kan iemand van de oudere generatie me leren hoe je dat soort goedbedoeld vuur niet met vuur bestrijdt, maar met zachtmoedigheid
Ik ben helemaal vóór eerbied, knielen, mantilla’s, op de tong ter Communie gaan en heb sympathie voor veel gebruiken van voor Vaticanum II. Maar er komt altijd een soort diepgewortelde, anti-zelotische irritatie uit de donkerste krocht van mijn ziel wanneer ik denk dat mensen de Kerk voor hun identiteitskarretje willen spannen.
Zo van: “Nu heb ik me bekeerd, dus nu moet de Kerk de rol spelen die ik haar toewijs, zodat ze mooi bij mijn nieuwe kledingstijl past. Daar hoort verdorie de juiste muziek bij, en ik bepaal welke dat is!”
Het vervelende was dat ik een paar dagen daarvoor had gebiecht, en daar zat ik dan met de balk in mijn oog. Ik schaamde me voor mijn eigen overdreven reactie; ik schreef eerder dit jaar nota bene zelf een column over hoe we liefdevol en geduldig moeten zijn met fanatieke bekeerlingen. Ik verdedig ze overal, te pas en te onpas, dus waar komt dan die drift vandaan?
Misschien kan iemand van de oudere generatie me leren hoe je dat soort goedbedoeld vuur niet met vuur bestrijdt, maar met zachtmoedigheid. Want dat het oprecht goedbedoeld is… daar moet ik mezelf vaker aan herinneren.
En ik vind die jongens nog steeds een soort luxe waar we blij mee mogen zijn in de Kerk. Ze mogen dan wel een beetje elitair en hondskoppig overkomen (sommigen dan), maar ze zetten wel een heleboel mensen aan het denken die alles veel te lang voor lief hebben genomen. Inclusief mijzelf.
Bovendien moet ik niet vergeten dat ik een paar jaar geleden net zo’n hekel aan moderne kerkmuziek had als zij. Ik schreef op mijn achttiende nog een hele e-mail aan Anton de Wit over hoezeer ik opwekkingsmuziek verafschuwde… misschien moet ik daar wat vaker aan terugdenken.
Luisa Kop is moeder, musicus en copywriter. Elke drie weken schrijft ze een column in Katholiek Nieuwsblad.
Er zijn geen artikelen gevonden