

De zomer is ten einde. Helaas, voor veel mensen. Ze klagen dat de dagen korter worden, de regen neerdaalt en dat ze weer jassen moeten dragen. De zomer, dat is waar iedereen naar uitkijkt.
Is dit nou echt zo, vraag ik me dan af; ik snap het gewoonweg niet. De zomer is hardvochtig. Alle kleuren zijn feller, geluiden klinken harder. En dan nog dat ondraaglijk lange licht…
Wat de zomer onthult met haar blauwe lucht zijn de afgronden waar we in staren als we naar de hemel kijken. Was dat vroeger nog een gewelf dat ons veilig binnen hield (want God bevond zich aan gene zijde), nu staren we in het oneindige niets. In de zomer voel ik altijd een metafysische eenzaamheid.
En, los van metafysica, ’s zomers, zeg ik met dichter Menno Wigman, stinken alle steden. Zomers, dat zijn perioden waarin alles moet gebeuren, vol van onrust. Weer Wigman: “De boulevard! De zeewind!/Blauwe oevers! Befloerste bossen! (…) Nu ontwaakt het oproer/in hun broeken, stromen de jurken/vol warme stranden, één lamme, klamme/en verdwaasde revolutie, dans,/drank en kelen die kraaien om méér.”
Het idee dat Jezus geboren is in een woestijn vind ik een ondraaglijk idee.
Ik voel me meer verbonden met Wigman zelf, wanneer hij na de voorgaande zinnen dicht: “Ik leef in de schaduw. Ik lees kranten/en bid om goddelijke rampen.” Of: “Juli. Augustus. Onrust. Onanie./Ik wacht en om de tijd te doden/rook ik graag mijn laatste driften uit.”
Of dit genetisch is (mijn moeder heeft dit ook), of mijn eigenlijke onmogelijkheid om me in het leven te storten, weet ik niet. In ieder geval geeft het me een gevoel van een rare mix van jaloezie en zelfbevestiging. De zelfbewuste introvert is altijd een beetje verdrietig én eikelig arrogant. Enerzijds verlangend naar, anderzijds zich verheven voelend boven…
Maar dit is ook weer voor de bühne, de zogenaamde kwetsbaarheid van het wel willen, maar niet kunnen. Ik houd gewoon niet van de zomer, klaar. En toch: iets in mij wil het willen, zoiets?
Dan de herfst. De grijze lucht dempt het licht, verkleint de wereld, verbergt de onmetelijke afgronden van een onmeetbaar heelal; houdt me geborgen.
Het idee dat Jezus geboren is in een woestijn vind ik een ondraaglijk idee. Natuurlijk komt dat ook omdat wij dat grote feest in de winter vieren. Het christendom is voor mij: kerstlichtjes, kale bomen, grijze, grauwe luchten, regen waar geen einde aan lijkt te komen en dikke jassen in koude kerken…
Dat er mensen zijn die met Kerst naar een warm land trekken, onvoorstelbaar. Juist de onrust van de zomer doet het Woord verstommen; de demping van het najaar biedt er ruimte aan.
Vrij naar Rilke: “Heer, eindelijk is het tijd./De zomer duurde weer te lang/Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers en laat de winden op de velden vrij/Beveel de laatste zon kortstondig te zijn/Laat gaan, die twee laatste zonzuidelijke dagen/Het was genoeg en jaag/de eerste kaarsen aan/Wie nu een huis heeft, verstop je daar toch in/Wie nu samen is, zal het nog even blijven/zij zullen waken, lezen, de liefde bedrijven/en geborgen door grauwe lanen dwalen/als bladeren op de herfstwind drijven.”
Er zijn geen artikelen gevonden