
Een vakantiehuisje aan het meer. Met tieners die goed en graag zwemmen. Voor mij is dat ontspanning ten top: ik zit met een fijn boek in de schaduw en beperk het ouderlijk toezicht tot nu en dan opkijken en tellen of ik nog steeds vier hoofden zie – in het water, tussen de rotsen of bij de aanlegsteiger.
Uiteraard wordt de idylle af en toe verstoord door waterspetters en wat onenigheid – het Paradijs is pas voor na dit leven. Tot ineens onze twee meiden voor mij staan, verwoed trekkend aan het hengsel van dezelfde emmer. “Kijk mama, babyvisjes!” roept de jongste met stralende ogen, terwijl de oudste luidkeels en met veel woordomhaal eist dat diezelfde visjes on-mid-del-lijk worden vrijgelaten.
Het zicht van wel twintig kleurrijk glimmende visjes en wat frisgroene algen ontlokt me een bewonderende kreet; ook al omdat dochterlief dat alles gewoon met haar blote handen heeft gevangen.
Veel tijd voor bewondering is er echter niet, want intussen gaan de dochters over tot het betere duw- en trekwerk. In een poging om de heftige reactie van de oudste te begrijpen, vraag ik waarom ze zo boos wordt van visjes die een kwartiertje in een emmer moeten doorbrengen. “Omdat ik het zelf vreselijk vind om niet vrij te zijn”, antwoordt ze prompt.
Haar vurige blik en besliste toon leren me dat dit niet zomaar iets is. Dit is belangrijk. Dit komt uit haar binnenste. Het opent een deur naar wat in het diepste van haar ziel leeft – zo diep dat het er wellicht door God zelf werd neergelegd: een machtige drang naar vrijheid, vergezeld van een al even machtig mededogen voor schepselen die gevangen zitten.
Ik bid in stilte dat mijn dochter koers blijft houden op de weg die de hare is
Ik voel instinctief: hier wordt een tipje van de sluier gelicht. Ik vang een glimp op van Gods plan voor het leven van mijn oudste dochter. De concrete details ken ik niet, maar ik geloof stellig dat zij geroepen zal zijn om anderen te bevrijden.
Ik denk dat elke mens een specifieke gevoeligheid heeft voor een bepaald soort situaties. Er is altijd een soort onheil dat ons dieper raakt dan alle andere en dat in ons resoneert met een eigen, aangeboren compassie. Dat komt meestal al vroeg tot uiting.
Zo heb je kinderen die spontaan een praatje maken met mensen met een handicap, terwijl andere kinderen geld willen geven aan iedere dakloze. Sommige kinderen barsten in tranen uit wanneer je een mug doodslaat, anderen zorgen er op de speelplaats voor dat niemand wordt uitgesloten. En die dochter van mij, tja, die heeft niet voor niets al haar hele leven moeite met het aanvaarden van grenzen.
Volgens mij geeft God ons met die voorgeprogrammeerde zwakke plek een indicatie van waar Hij ons hebben wil. Maar in onze individualistische samenleving die geen zwakke plekken toelaat, raken de spontane kinderlijke neigingen ondergesneeuwd. Tot we ze helemaal vergeten, en God best wel wat moeite moet doen om ons weer in de juiste richting te krijgen…
Ik beslecht het geschil door te zeggen dat de visjes nog snel aan vader mogen worden getoond. Daarna waadt de oudste kniehoog het meer in. Met een brede glimlach laat ze de visjes weer vrij. En ik bid in stilte dat zij koers blijft houden op de weg die de hare is. Die waarvoor God haar de juiste talenten schonk – en de juiste zwakke plek.
Nathalie De Clerck is tolk, auteur en therapeute. Elke drie weken schrijft ze een column in Katholiek Nieuwsblad.
Er zijn geen artikelen gevonden