
Het wordt tijd dat we eens leren dat er een groot verschil is tussen klerikalisme en sacerdotalisme. Sacerdotalisme betekent letterlijk ‘priesterlijkheid’ en slaat op een liturgie waarin priesters een bemiddelende rol hebben en die ook nemen. Omdat ze ervoor geleerd hebben en ervoor gewijd zijn.
Ze handelen soms namens de gelovige gemeenschap en dan weer namens God. Het ene moment bidden ze Christus om zijn ontferming en het volgende moment zeggen ze – in zijn Persoon: “Dit is Mijn lichaam.” Allemaal doodnormaal. Ze manifesteren zich niet als zichzelf, als individu, behalve tijdens de preek.
Precies daarom werd die vroeger ook nooit tot de formele eredienst gerekend. De priester legde niet voor niks dan ook zijn manipel af. Hoe dan ook: in een normale, gezonde situatie respecteren de gelovigen de priester in zijn rol, zonder hem als privépersoon op een voetstuk te hijsen.
Ze kijken hem niet voortdurend naar de ogen en ze proberen niet om zich zijn taken toe te eigenen. Bij de slager eisen ze ook niet hun eigen speklappen van het varken te mogen snijden of bij de tandarts hun eigen kiezen te mogen trekken. Ze worden ook niet jaloers op hem, omdat het helder is dat alle glitters en ceremonies niet ter ere van hem zijn.
Hij is niet de meester van de liturgie, maar de dienaar ervan. Een hulpstuk. Het teken daarvan is de onpersoonlijke formaliteit van die liturgie. Die is er niet voor niks. Intimiteit op de cultusplaats is per definitie ongewenst. De taal die gesproken wordt is geen spreektaal. De frasen zijn archaïsch of het gaat zelfs om een sacrale taal die buiten de eredienst is uitgestorven.
Het wordt pas problematisch als de priester onwillekeurig naar zichzelf begint te verwijzen in plaats van naar God. Dan krijgen we klerikalisme in plaats van sacerdotalisme.
Ook zijn er voortdurend plechtige herhalingen. Vrijwel alle godsdiensten ouder dan de protestantse Reformatie hebben een dergelijke liturgie, en dat is prima, want het werkt. Het wordt pas problematisch als de priester onwillekeurig naar zichzelf begint te verwijzen in plaats van naar God. Dan krijgen we klerikalisme in plaats van sacerdotalisme.
De ironie wil dat we daar sinds de vernieuwing van de liturgie veel meer last van hebben gekregen dan vroeger. Ineens staat pastor Arie tegenover de gelovigen. Die kunnen zijn gezicht zien, de hele tijd. Ook tijdens het bidden. Nou is pastor Arie niet als acteur opgeleid. Dus ook niet om op een natuurlijke manier intieme handelingen (zoals bidden) te kunnen volbrengen terwijl een hele goegemeente hem in zijn gezicht staat te gapen.
Dus begint hij zijn – plotseling toch wel erg blote – ziel te bedekken met een zalvende toon die per definitie licht bespottelijk overkomt. Zeker in combinatie met de altijd net verouderde volkstaal die tegenwoordig gebruikt wordt. Hij is zich daar pijnlijk van bewust en begint dus improviserend aan die teksten te prutsen.
Dat maakt het nog erger, maar het wordt toch een gewoonte. Zodanig zelfs dat hij drie keer per Mis begint te preken en het gevoel krijgt onderhoudend te moeten zijn. Hij is ineens veel belangrijker dan hij had moeten en willen zijn. Hij krijgt fans en haters. Bidden wij voor pastor Arie.
Er zijn geen artikelen gevonden