
De kluizenaars uit de landen waar Duits gesproken wordt (en één of twee Nederlandse exemplaren) houden elke drie jaar een conferentie. Dat klinkt als een koortsdroom of een LSD-tripje en inderdaad voelt men zich bij die gelegenheden alsof de werkelijkheid lichtjes uit zijn voegen is gedrukt.
Stel je een enorme berg baardige mannetjes in rare habijten voor, en dan nog de nodige half doorschijnende zusters in nog raardere habijten. De helft heeft het spreken verleerd, de andere helft spreekt alsof er een achterstand moet worden ingelopen (want dat is ook zo).
Daarbij zijn de gespreksonderwerpen net zo bizar als de verschijningen. Wat is gehoorzaamheid? Hoe onderscheid ik de waarheid die uit het gebed opwelt van zelfbedrog? Waarom schrijven de heilige woestijnvadertjes dat je bisschoppen moet vermijden? Hoe krijg ik duivenstront uit altaardwalen?
Ik ben er vanaf de eerste keer vrijwel altijd bij geweest, en elke heremietenconferentie heeft in mijn herinnering een soort magische indruk achtergelaten. “Zo kan het niet geweest zijn”, denk ik soms. Maar zo was het wél.
De helft van de aanwezigen heeft het spreken verleerd, de andere helft spreekt alsof er een achterstand moet worden ingelopen (want dat is ook zo)
Meestal worden ze georganiseerd in een of ander klooster in Beieren, maar dit jaar hadden de zusters kluizenaressen van het organisatiecomité een deel van het priesterhuis in Kevelaer afgehuurd. Twee werelden die mij beide heel vertrouwd en dierbaar zijn kwamen dus samen.
Twee werelden, trouwens, die ernstig worden bedreigd. Want beide maken deel uit van de Duitse Kerk, en die kwijnt en steunt en kreunt, ongeveer op dezelfde manier als die in Nederland in de jaren zeventig. De wezenlijke dingen worden vergeten en er wordt voornamelijk nog ruzie geschopt over modieuze thema’s en vooral over wie er de baas is in de Kerk.
Het merendeel van de kluizenaars houdt zich daar trouwens niet zo mee bezig, al slaat er toch iets over van de kribbige sfeer in de rest van de katholieke gemeenschap. Gelukkig niet voortdurend, maar je merkt toch af en toe dat er een vorm van prikkelbaarheid is die je vroeger gewoon helemaal niet voelde.
Daarbij beginnen we zoiets te krijgen als een overdrachtsprobleem. De generatie die de oude kluizenaarstraditie helemaal in zich heeft opgenomen en er als het ware mee samenvalt, wordt oud en sterft uit. Ervaren kluizenaars van middelbare leeftijd zijn er niet zoveel, omdat dat normaliter bij ons de leeftijd is dat je met dat leven begint.
In die zin ben ik zelf een van de weinige uitzonderingen. Wat er nu zo allemaal verschijnt aan nieuwe mensen is een wonderlijk mengsel van rijp en groen. Wij kunnen daar zelf niet altijd in sturen, omdat wij geen kloosterorde zijn. Wij kunnen niet zelf beslissen wie we aannemen of niet.
Het levert een sfeer op die wat aan de herfst doet denken. Veelkleurig, maar wel een voorbode van wat waarschijnlijk een stroeve tijd gaat zijn. Dat paste deze keer wonderlijk goed bij het decor: Kevelaer met zijn dichtgetimmerde hotels en lege etalages en herfstbomen en daklozenoverlast. Enfin, wij zijn mensen van de hoop. Der liebe Gott wird’s richten.
Pater Hugo is kluizenaar te Warfhuizen. Elke drie weken schrijft hij een column in Katholiek Nieuwsblad.
Er zijn geen artikelen gevonden