fbpx
<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Inspiratie

Deze arme heeft mij nodig

KN Redactie 21 oktober 2016
image
(Foto: AP)

Tijdens de algemene audiëntie van 19 oktober sprak paus Franciscus over de hongerigen voeden en de dorstigen laven.

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

Een gevolg van het zogenaamde ‘welbevinden’ is dat mensen ertoe geleid worden zich terug te trekken in zichzelf, zichzelf ongevoelig makend voor de behoeften van anderen. Alles wordt gedaan om hen te misleiden, vluchtige modellen van leven presenterend die na een paar jaar verdwijnen, alsof ons leven een mode is om te volgen en ieder seizoen te veranderen. Dat is het niet.

Werken van barmhartigheid

De werkelijkheid moet worden geaccepteerd en onder ogen gezien voor wat zij is, en vaak doet zij ons situaties van urgente nood ontmoeten. Het is hierom dat de roep van honger en dorst wordt gevonden onder de werken van barmhartigheid: de hongerigen voeden – er zijn er vandaag zoveel – en de dorstigen laven.

Beelden

Hoe vaak informeren de media ons over bevolkingen die lijden onder gebrek aan voedsel en water, met ernstige consequenties, in het bijzonder voor kinderen.

Geconfronteerd met bepaald nieuws en, in het bijzonder, bepaalde beelden, voelt de publieke opinie zich geraakt en van tijd tot tijd worden hulpcampagnes gelanceerd om solidariteit te stimuleren. Donaties zijn genereus en zo kan men bijdragen aan het verlichten van het lijden van velen.

‘Dit daagt ons uit’

Deze vorm van naastenliefde is belangrijk, maar, misschien, betrekt het ons er niet rechtstreeks bij. Als we echter de straat op gaan en een mens in nood tegenkomen, of als een arme man op de deur van ons huis klopt, dan is het heel anders, omdat we niet langer voor een afbeelding zijn maar persoonlijk betrokken worden.

Abstracte armoede daagt ons niet uit, maar doet ons denken, doet ons weeklagen, maar wanneer we armoede zien in het vlees van een man, van een vrouw, van een kind, dan daagt dit ons uit!

Wend ik mijn blik af?

En hierom hebben we de gewoonte te vluchten van de behoeftigen, hun niet nabij te komen, de realiteit van de behoeftigen ietwat te vervalsen met modieuze gewoontes om onszelf ervan te distantiëren. Als ik hem tegenkom, is er geen enkele afstand meer tussen mij en de arme.

Wat is in zulke gevallen mijn reactie? Wend ik mijn blik af en ga ik verder? Of stop ik om met hem te praten en geïnteresseerd te zijn in zijn staat? En als je dit doet, zal er geen gebrek zijn aan wie zeggen: “Dit is gek, waarom spreekt hij met een arme?” Kijk ik of ik die persoon op een of andere manier kan ontvangen, of probeer is zo snel mogelijk vrij van hem te zijn? Maar misschien vraagt hij alleen om het nodige: iets te eten en te drinken.

‘Geef ons heden ons dagelijks brood’

Laat ons een moment reflecteren: hoe vaak reciteren we het Onzevader, en toch besteden we niet echt aandacht aan die woorden: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood.’

Een psalm in de Bijbel zegt God degene is die “voedsel geeft aan al wat leeft” (136,25). De ervaring van honger is wreed. Iemand die periodes van oorlog en gebrek heeft beleefd kent het. Toch wordt deze ervaring iedere dag herhaald en bestaat zij naast overvloed en verspilling.

Altijd iemand

De woorden van de apostel Jacobus zijn altijd tijdig: “Broeders, wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien? Kan zo’n geloof hem soms redden? Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten, en iemand van u zou zeggen: ‘Geluk ermee! Houd u warm en eet maar goed’, en hij zou niets doen om in hun stoffelijke nood te voorzien – wat heeft dat voor zin? Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, zonder zich in daden te uiten, dood” (2,14-17), omdat het niet in staat is werken te doen, naastenliefde te doen, lief te hebben.

Er is altijd iemand die hongerig en dorstig is en mij nodig heeft. Ik kan het niet aan iemand anders delegeren. Deze arme heeft mij nodig, mijn hulp, mijn woord, mijn toewijding. Wij zijn hier allemaal in betrokken.

Aan Jezus’ handen toevertrouwen

Het is ook de leer van de pagina van het Evangelie waar Jezus, als hij de vele mensen ziet die hem al uren volgden, zijn leerlingen vraagt: “Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?” (Joh. 6,5) En de leerlingen antwoorden: “Het is onmogelijk, het zou beter zijn als U hen heenzond…”

In plaats daarvan zegt Jezus hun: “Nee, geven jullie hun zelf te eten” (cf. Mc. 14,16). Hij laat hen Hem de paar broden en vissen die zij hebben, geven, Hij zegent die, breekt ze en laat ze uitdelen aan allen. Het is een zeer belangrijke les voor ons.

Het vertelt ons dat het beetje dat we hebben, als we het aan Jezus’ handen toevertrouwen en het met geloof delen, overvloedige rijkdom wordt.

Paus Benedictus XVI

In zijn encycliek Caritas in Veritate bevestigt paus Benedictus XVI: “De hongerigen te eten geven, is een ethische verplichting voor de Wereldkerk (…). Het recht op voedsel, evenals het recht op water, speelt een belangrijke rol bij het verwerven van andere rechten (…). Daarom is het noodzakelijk dat er een solidair bewustzijn ontstaat, dat voedsel en de toegang tot water als algemene rechten van alle mensen beschouwt, zonder onderscheid of discriminatie” (n.27).

‘Ik ben het brood des levens’

Laat ons Jezus’ woorden niet vergeten: “Ik ben het brood des levens” (Joh. 6,35) en “Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij” (Joh. 7,37). Deze woorden zijn een provocatie voor al ons, gelovigen, een provocatie om te erkennen dat onze relatie met God door het voeden van de hongerigen en het laven van de dorstigen voert, een God die in Jezus zijn barmhartig gezicht heeft onthuld. (Zenit/KN)