<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Inspiratie

Je openstellen voor de genade

KN Redactie 4 januari 2018
image
Foto: AP

Tijdens de algemene audiëntie van 3 januari sprak paus Franciscus over de schuldbelijdenis tijdens de Mis.

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

We gaan verder met de catecheses over de Eucharistieviering en we overwegen vandaag, in de context van de openingsritus, de schuldbelijdenis. In alle eenvoud draagt die bij aan een houding waarmee we ons gereed kunnen maken om waardig het heilige mysterie te kunnen vieren, namelijk door voor God en onze broeders en zusters onze zonden te belijden en te erkennen dat we zondaars zijn.

Allemaal zondaars

De uitnodiging van de priester is dan ook tot heel de biddende gemeenschap gericht, want we zijn allemaal zondaars. Wat kan de Heer nog geven aan iemand wiens hart al vol is van zichzelf, van zijn eigen succes? Niets, want een zelfingenomen persoon is niet in staat om vergeving te ontvangen, overtuigd als hij is van zijn eigen zogenaamde rechtvaardigheid.

Denk maar aan de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar, waarbij alleen de tweede – de tollenaar – gerechtvaardigd naar huis ging, want hij was vergeven (vlg. Lc. 18, 9-14). Wie zich bewust is van zijn eigen kleinheid en de ogen nederig neerslaat, voelt Gods barmhartige blik op zich neerdalen. We weten uit ervaring dat alleen degene die zijn fouten weet te erkennen en sorry kan zeggen, begrip en vergeving van anderen ontvangt.

Luisteren naar de stem van je geweten

In stilte luisteren naar de stem van je geweten geeft je de kans om te erkennen dat onze gedachten ver verwijderd zijn van goddelijke gedachten, dat onze woorden en onze daden vaak werelds zijn, ofwel dat die geleid worden door keuzes die in tegenspraak zijn met het Evangelie.

Daarom belijden we, aan het begin van de Mis, gezamenlijk onze schuld door middel van een algemene biechtformule, uitgesproken in de eerste persoon enkelvoud. Ieder van ons biecht aan God en aan zijn broeders en zusters op gezondigd te hebben “in woord en gedachte, in doen en laten”. Ja, ook in laten, ofwel door af te hebben gezien van het goede dat je had kunnen doen.

Verwijdering van God en de ander

Vaak voelen we ons goede mensen, omdat – zo zeggen we – “ik niemand iets kwaad heb gedaan”. In werkelijkheid is het niet voldoende om je naaste geen kwaad te doen; we moeten het goede doen door de mogelijkheden aan te grijpen om een goed getuigenis te geven dat we Jezus’ leerlingen zijn.

Het is goed om te onderstrepen dat we zowel voor God als voor onze broeders en zusters opbiechten dat we zondaars zijn: dat helpt ons de omvang van de zonde te begrijpen: die verwijdert ons niet alleen van God, maar ook van onze broeders en zusters, en omgekeerd. De zonde snijdt je af: van de relatie met God en van de relatie met je broeders en zusters, je familie, de samenleving, de gemeenschap. De zond snijdt je altijd af, verdeelt en scheidt af.

Niet beschuldigend naar de ander wijzen

De woorden die we uitspreken met de mond worden begeleid door de geste van het kloppen op de borst, waarmee je aangeeft dat je door je eigen schuld hebt gezondigd en niet door andermans schuld. Het komt dan ook vaak voor dat we, uit angst of schaamte, met de beschuldigende vinger naar de ander wijzen. Het kost moeite om toe te geven dat we schuldig zijn, maar het doet ons goed dat met oprechtheid op te biechten. Je eigen zonden opbiechten.

Ik herinner me een anekdote die door een oude missionaris werd verteld over een vrouw die ging biechten en begon te vertellen over de fouten van haar man; vervolgens ging ze verder met het opnoemen van de fouten van haar schoonmoeder en daarna de zonden van haar buren. Op een bepaald moment zei de biechtvader tegen haar: “Maar mevrouw, vertelt u me eens: bent u klaar? – Heel goed: u bent klaar met de zonden van de anderen. Begint u nu maar met die van uzelf te vertellen.” Je eigen zonden opbiechten!

Andere vormen 

Na het opbiechten van de zonden, roepen we de heilige Maagd Maria, de engelen en de heiligen aan om tot de Heer te bidden voor ons. Ook hierbij is de gemeenschap van de heiligen kostbaar: ofwel de voorspraak van deze vrienden en levensvoorbeelden ondersteunt ons op onze weg naar de volledige eenheid met God, wanneer de zonde definitief zal zijn vernietigd.

Behalve met het “Ik belijd” kun je de schuldbelijdenis ook in een andere vorm opzeggen, bijvoorbeeld: “Ontferm U, Heer / Wij hebben inderdaad tegen U gezondigd / Doe ons, Heer, uw genade aanschouwen, laat komen uw heil over ons” (Ps. 123,3; Jer. 14,20; Ps. 85,8). Vooral op zondag kan de zegening en de besprenkeling met water uitgevoerd worden, ter gedachtenis aan het Doopsel (vlg. het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 51) dat alle zonden uitwist. Het is ook mogelijk om, als deel van de schuldbelijdenis, het Kyrie eleison te zingen: met een oude Griekse uitdrukking roepen we de Heer, Kyrios, aan en vragen we om zijn barmhartigheid (ibid., 52).

Voorbeelden uit de Bijbel

De Heilige Schrift biedt ons prachtige voorbeelden van ‘penitenten’ die door in zichzelf te keren na een zonde te hebben begaan, de moed vinden om hun masker af te nemen en zich open te stellen voor de genade die het hart vernieuwt. Denk maar aan koning David en aan de woorden die in de psalm aan hem worden toegeschreven: “Wees mij, God, in uw goedheid genadig, neem in uw oneindig erbarmen mijn overtredingen weg” (Ps. 51,3).

Denk maar aan de verloren zoon die terugkeert naar zijn vader; of aan de smeekbede van de tollenaar: “God wees mij, zondaar, genadig” (Lc. 18,13). Denk maar aan de heilige Petrus, aan Zaccheüs, aan de Samaritaanse vrouw. Ons meten aan de teerheid van het stof waaruit we zijn geboetseerd, is een ervaring die ons sterker maakt: terwijl dat ons doet afrekenen met onze zwakheid, opent het ons hart om de goddelijke barmhartigheid af te smeken die verandert en bekeert. En dat is wat we doen tijdens de schuldbelijdenis in de Mis. (Vert. SvdB)