
Tijdens de algemene audiëntie van 1 mei sprak paus Franciscus over de goddelijke deugd van geloof, “het eerste geschenk van het christelijk leven”.
De drie goddelijke deugden zijn de grote gaven die God aan ons morele vermogen geeft. Zonder geloof, hoop en liefde zouden we weliswaar verstandig, rechtvaardig, sterk en gematigd kunnen zijn, maar we zouden geen ogen hebben die zelfs in het donker zien, we zouden geen hart hebben dat liefheeft zelfs wanneer het niet geliefd wordt, we zouden geen hoop hebben die tegen alle hoop in durft te hopen.
Wat is geloof? De Catechismus van de Katholieke Kerk legt uit dat geloof de daad is waarmee een mens zich uit vrije wil aan God toevertrouwt (vgl.1814). In dit geloof was Abraham de grote vader. Toen hij ermee instemde om het land van zijn voorouders te verlaten en op weg te gaan naar het land dat God hem zou wijzen, werd hij waarschijnlijk voor gek verklaard: waarom het bekende verlaten voor het onbekende?
Maar Abraham gaat op weg, alsof hij het onzichtbare ziet. En het zal dit onzichtbare zijn dat hem ook de berg op doet gaan met zijn zoon Isaak, die pas op het laatste moment gespaard zal worden van het offer. In dit geloof wordt Abraham de vader van een lange rij kinderen. Geloof maakte hem vruchtbaar.
De grote vijand van geloof is angst
Een man van geloof was ook Mozes, die Gods stem accepteerde, zelfs toen twijfels hem van zijn stuk brachten. Hij bleef standvastig en op de Heer vertrouwen, en verdedigde zelfs het volk dat zo vaak geen geloof had.
Een vrouw van geloof was de Maagd Maria, die bij het ontvangen van de aankondiging van de engel, die velen zouden hebben afgedaan als te veeleisend en riskant, antwoordde: “Zie de dienstmaagd des Heren: mij geschiede naar uw woord” (Lc. 1,38). En met een hart vol geloof, met een hart vol vertrouwen in God, gaat Maria de weg waarvan ze de route noch de gevaren kent.
Geloof is de deugd die de christen tot christen maakt. Want christen zijn is niet allereerst het aanvaarden van een cultuur met de bijbehorende waarden, maar christen zijn is een band koesteren, een band met God. Deze band is wat ons tot christenen maakt.
De grote vijand van het geloof is angst. Daarom is geloof het eerste geschenk dat we ontvangen in het christelijke leven: een geschenk dat we dagelijks moeten verwelkomen en waar we dagelijks om moeten vragen, zodat het in ons kan worden vernieuwd. Op het eerste gezicht is het een klein geschenk, maar toch is het essentieel.
Toen we naar het doopvont werden gebracht, vroeg de priester aan onze ouders: “Wat vraagt u voor uw kind van de Kerk van God?”. En de ouders antwoordden: “het doopsel!”. Daarmee weet een ouder dat zijn kind, zelfs te midden van de beproevingen van het leven, niet aan angst ten onder zal gaan. Dit kind weet ook dat wanneer hij geen ouder meer heeft op deze aarde, hij een God de Vader in de hemel zal blijven hebben, die hem nooit in de steek zal laten. Onze liefde is zo kwetsbaar en alleen Gods liefde overwint de dood. (Vertaling Susanne Kurstjens)
Er zijn geen artikelen gevonden