
Waarom zegt Jezus tijdens het Laatste Avondmaal niet gewoon dat het Judas is die Hem zal verraden? Paus Leo XIV legde het tijdens de algemene audiëntie van 13 augustus uit.
We volgen Jezus’ weg in de laatste dagen van zijn leven. En vandaag staan we stil bij het moment waarop Jezus, tijdens het paasmaal, onthult dat een van de twaalf leerlingen Hem zal verraden:
“Voorwaar, Ik, zeg u: een van u zal Mij overleveren, een die met Mij eet” (Mc. 14,18). Krachtige taal. Maar Jezus spreekt dit niet uit om te veroordelen, maar om te laten zien dat waarachtige liefde niet zonder waarheid kan.
De bovenzaal vult zich plotseling met een stille pijn – een pijn van vragen, van verdenkingen, van kwetsbaarheid. Het is een pijn die ook wij goed kennen, wanneer in onze relaties de schaduw van verraad binnensluipt.
Toch is de manier waarop Jezus spreekt over wat er gaat gebeuren, verrassend. Hij verheft zijn stem niet, Hij wijst niemand aan, Hij noemt Judas niet bij naam. Hij spreekt op zo’n manier dat ieder zichzelf kan bevragen. En dat is precies wat er gebeurt.
Marcus vertelt: “Droefheid maakte zich van hen meester en zij begonnen de een na de ander Hem te vragen: ‘Ik ben het toch niet?’” (14,19).
Dit is niet de vraag van een onschuldige, maar van een leerling die zijn eigen kwetsbaarheid ontdekt. En in dit besef begint de weg naar redding.
Jezus klaagt niet aan om te vernederen. Hij zegt de waarheid omdat Hij wil redden. En om gered te worden, moet je voelen: voelen dat je betrokken bent, voelen dat je ondanks alles bemind wordt, voelen dat het kwaad echt is, maar niet het laatste woord heeft.
Het Evangelie leert ons niet om het kwaad te ontkennen, maar om het te erkennen als een pijnlijke kans tot wedergeboorte.
Als wij de liefde verloochenen, als wij door verraad ontrouw worden aan onszelf, dan verliezen wij de zin van ons bestaan
Daarna voegt Jezus een zin toe die ons onrustig maakt en tot nadenken stemt: “Wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!” (Mc. 14,21).
Het zijn harde woorden, zeker, maar ze moeten goed begrepen worden: het gaat hier niet om een vloek, maar eerder om een kreet van pijn. Dit “beter als hij nooit geboren was” is geen veroordeling, maar een waarheid die ieder van ons kan herkennen: als wij de liefde verloochenen, als wij door verraad ontrouw worden aan onszelf, dan verliezen wij werkelijk de zin van ons bestaan en sluiten wij onszelf uit van de redding.
Toch dooft juist daar, op het donkerste punt, het licht niet uit. Integendeel, het begint te schijnen. Want als wij onze grenzen erkennen, als wij ons laten raken door het lijden van Christus, dan kunnen wij opnieuw geboren worden.
Het geloof sluit de mogelijkheid tot zonde niet uit, maar biedt ons altijd een weg om eruit te komen: die van de barmhartigheid.
Jezus is niet geschokt door onze kwetsbaarheid. Hij weet heel goed dat geen enkele vriendschap immuun is voor het risico van verraad. Maar Jezus blijft vertrouwen. Hij blijft aan tafel zitten met zijn leerlingen. Dit is de stille kracht van God: Hij verlaat nooit de tafel van de liefde, zelfs niet wanneer Hij weet dat Hij alleen zal worden gelaten.
Dierbare broeders en zusters, ook wij kunnen ons vandaag met oprechtheid afvragen: “Ben ik het soms?” Niet om ons schuldig te voelen, maar om ruimte te maken voor de waarheid in ons hart. Redding begint hier: in het besef dat wij het zouden kunnen zijn die Gods vertrouwen breken – maar ook dat wij het kunnen zijn die dat vertrouwen herstellen.
Uiteindelijk is dit de hoop: weten dat, ook al kunnen wij falen, God nooit tekortschiet. Ook al kunnen wij verraden, Hij houdt nooit op ons lief te hebben. En als wij ons laten raken door deze liefde, dan kunnen wij werkelijk opnieuw geboren worden. En beginnen te leven, niet meer als verraders, maar als kinderen die altijd bemind worden. (Vertaling: Susanne Kurstjens)
Er zijn geen artikelen gevonden