fbpx
<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Jong

‘Mijn opa mag niet op deze manier rusten’

Mees van Roosmalen 29 oktober 2021
image
“Toen ik klein was liep ik vaak met opa over de heide in Helmond. Deze lijkt identiek, alsof hij ons naar deze plek heeft geleid.” Foto: Mees van Roosmalen

Derdejaarsstudenten Journalistiek gingen op bedevaart om het antwoord op een levensvraag te vinden. KN Jong publiceert drie verhalen. Vandaag dat van Mees van Roosmalen (20), die een antwoord zoekt op de vraag: waar is mijn opa nu?

Met gemengde gevoelens loop ik richting het spoor. Het perron is volledig gevuld met mensen. Ga ik dit nu echt doen? Dat is wat ik de hele treinreis op weg naar de kerk van St. Jan de Doper in Kaatsheuvel denk.

Vanaf het moment dat we deze opdracht voorgeschoteld kregen, was ik al sceptisch. Mijn innerlijke zelf terugvinden? Wat is dat voor zweverig gedoe? Maar dat zal mijn atheïstische instelling wel zijn, denk ik. Ik maak ten slotte geen heilige tocht in Lourdes of Jeruzalem, maar besluit het een eerlijke kans te geven.

Toe aan nieuwe inzichten

In Tilburg ontmoet ik de twintig jaar oude filosoof Thomas Ossenvink, een vriend die ik al een tijdje niet heb gesproken. Hij draagt een ketting met een kruisje. Hij wijst er gelijk naar. “Kijk! Speciaal voor deze gelegenheid omgedaan. We gaan toch op zoek naar je opa? Ben je niet toe aan nieuwe inzichten?”

Die zin zet mij aan het denken. Ik stem met enige aarzeling in. “Jawel hoor”, zeg ik. Meteen gaat er in mijn hoofd een knop om. Misschien is zo’n bedevaartstocht nog niet zo gek. Misschien heb ik er zelfs wel behoefte aan.

https://www.kn.nl/abonnementen/

De volle stadsbus brengt ons in Kaatsheuvel. Het blijft een tijdje stil, tot de halte waar we uitstappen. “Ja, ik mis die ouwe wel hoor”, zeg ik met enige wanhoop in mijn stem. Mijn oude vriend lacht. “Ik dacht het al aan je te zien”, vertelt hij met een hand op mijn schouder.

We zijn nu echt begonnen, denk ik. Hoe begin ik zo’n gesprek? Het geeft mij een soort ongemakkelijkheid. Twee uur lang praten over een gevoelig onderwerp – en dat met iemand die ik misschien al een jaar niet heb gezien. Maar toch heb ik er vertrouwen in dat Thomas precies weet wat hij doet.

Op de heide

We zijn nog geen vijf stappen verwijderd van de drukke dorpsstraat als Thomas ineens een vraag stelt. “Wat was je opa eigenlijk voor een persoon?” Ik schrik er een beetje van. Meteen al zo persoonlijk. Allerlei herinneringen spoken door mijn hoofd, maar ik besluit het kort te houden. “Altijd vrolijk”, zeg ik nogal ingetogen.

Ik zie aan hem dat hij niet helemaal tevreden is met het korte antwoord. “Hij stond altijd klaar voor anderen. Een soort solidariteitsgevoel dat zijn eigenwaarde oversteeg”, vertel ik. “Dat had vast met zijn geloof te maken. Hij was christelijk en kwam wekelijks in de kerk of in een kapel. Het betekende veel voor hem.”

“Opa stond altijd klaar voor anderen. Een soort solidariteitsgevoel dat zijn eigenwaarde oversteeg: dat had vast met zijn geloof te maken.”
- Mees van Roosmalen

Na mijn betoog komt Thomas tot de hoofdvraag. “Denk je dat die liefde voor naasten en zijn geloof hem op een betere plek hebben gebracht?” Ik val stil, maar dat maakt hem niets uit. Tien minuten lang lopen we zo verder.

Aan het einde van de woonwijk ligt een natuurgebied. We passeren als eerste een felpaars heidelandschap. Toen ik klein was liep ik vaak met opa over de Stiphoutse Heide in Helmond. Deze lijkt identiek. Alsof het zo had moeten zijn. Alsof hij ons naar deze plek heeft geleid.

Wie goed doet, goed ontmoet

De emoties die naar boven komen, brengen mijn gedachten weer bij de vraag die Thomas stelde. Ik heb altijd tegen mezelf gezegd dat er niets is na de dood. Als een soort eeuwige slaap, zonder dat je droomt. Toch wil ik het voor de eerste keer in mijn leven niet geloven. Een man die zoveel voor anderen deed en zo trouw aan zijn geloof bleef, kan toch niet op deze manier rusten. Dan verdien je meer. Een soort hiernamaals? Dat is toch wat de Bijbel trouwe christenen belooft? Om niet onnozel over te komen, verbreek ik de stilte en vraag ik het eerst aan Thomas. “Wat denk jij?” zeg ik.

Hij kijkt mij even aan. Alsof hij er even over moet nadenken. “Wie goed doet, goed ontmoet”, vertelt hij. “Het gaat er voor mij helemaal niet om in wat je gelooft. Het inrichten van je leven, dat is belangrijk. Als je daarbij je medemens en de aarde een stukje beter kan maken, kom je vanzelf op een betere plek. Ik heb het gevoel dat er meer is. Sterker nog, ik weet het bijna zeker.”

“Er kan toch niet helemaal niets zijn? De gedachte dat mijn opa nu in een eeuwige slaap is beland, doet pijn.”
- Mees van Roosmalen

De woorden van de jonge filosoof zetten me aan het denken. Terwijl we de heide verruilen voor een enorm bos, begin ik voor het eerst in een aantal jaar te twijfelen. Alles wat hij vertelde klopt. Hij beschreef de leefwijze van mijn opa. En hoe weet hij zo zeker dat er meer is?

Al deze gedachten gaan volledig tegen mijn principes in, maar misschien heeft hij wel gelijk. Waarom zijn er anders zoveel mensen die vanwege een hiernamaals naar bepaalde idealen leven?

De nazomerbries in mijn gezicht blokkeert de tranen die ik nadrukkelijk probeer te verbergen. Twijfels veranderen in een soort wanhoop. Er kan toch niet helemaal niets zijn? De gedachte dat mijn opa nu in een eeuwige slaap is beland, doet pijn.

Het ga je goed, maatje

Mijn gedachten van voor deze reis zijn negentig graden gedraaid. We verlaten het bos. De eindbestemming, een klein kapelletje in Udenhout, is al in zicht. Al deze nieuwe inzichten geven mij een heel gek gevoel. Op de valreep stel ik nog een vraag ter bevestiging. “Er kan toch niet helemaal niets zijn, Thomas?”

image
Op het einde van zijn bedevaart steekt Mees een kaarsje aan voor zijn opa: "Geniet ervan daarboven." Foto: Mees van Roosmalen

Hij merkt dat ik de vraag uit een soort angst stel. “Dat is niet iets om je druk over te maken. Gebruik het idee van een hiernamaals als een soort houvast voor de rest van je leven. Het gaat je kracht geven”, vertelt hij.

Ik had nooit kunnen denken dat ik lichtelijke aangeslagen bij de kapel aan zou komen. Ik heb nu een hele andere mindset. Het staat vol met Mariabeelden. In de hoek van het kapelletje staat een tafel met kaarsjes. Zonder aarzelingen loop ik ernaar toe. Ik steek er eentje aan. “Het ga je goed, maatje. Geniet ervan daarboven.”