
‘Rijk aan verhalen’ is de kapstok waar de provincie West-Vlaanderen haar thema’s aan ophangt. Dit jaar is het platteland rond Brugge aan de beurt. Tientallen activiteiten sporen aan de ruim honderd kastelen en acht abdijen te bezoeken.
Het Brugse Ommeland grenst aan Zeeuws-Vlaanderen. Als noorderbuur verwacht je een door herverkaveling verwoest landschap met kilometers aan maïs en suikerbieten, waar geen leeuwerik meer is te horen.
Niets van dat alles in dit stukje Vlaanderen. Een eeuwenoud weidelandschap kreeg door turfafgraving open plassen met wuivende rietkragen, rijk begroeid met al of niet geknotte wilgen en rijen imposante populieren. Het jaar rond kwetteren en fladderen er weidevogels dat het een lieve lust is.
Meer dan honderd kastelen telt het Brugse Ommeland volgens de VVV-brochures. Maar zijn het wel kastelen, met dikke muren, kantelen en grachten als verdediging? Goedbeschouwd zijn ze dat op een paar na allemaal niet. Het zijn landhuizen, opgetrokken in een ratjetoe van neostijlen.

Het neogotische Kasteel van Loppem, nog steeds het zomerverblijf van de familie Van Caloen, is er zo een. Twee Vlaamse adellijke families komen in 1812 samen als Joseph-Bernard van Caloen trouwt met Marie de Potter, een zus van revolutionair Louis de Potter, de man die in 1830 de Belgische opstand in gang zette. Broer en zus voeren jarenlang een juridische strijd over de erfenis. Marie wint en betrekt met Joseph-Bernard het De Potter-familiebezit in Loppem.
Hun zoon Charles (1815-1896) en zijn kunstminnende Waalse echtgenote Savina zijn katholieken van de oude stempel. Hun huwelijksreis gaat naar Rome, op privé-audiëntie bij paus Pius IX. Zij dromen van het herstel van een traditionele, christelijke standenmaatschappij met de Kerk als middelpunt en de adel en clerus als bevoorrechte standen, alles verbonden door een sterk koningshuis.
Aartsconservatief zijn ze, maar ook buitengewoon vrijgevig. Niet alleen pastoors en kapelaans uit de buurt profiteren daarvan, maar ook de hele dorpsgemeenschap. Daar heeft men voor het kasteel een koosnaampje: Klein Vaticaan.
Joseph-Bernard haalt geld op voor het pauselijke zoeavenleger en via een regelmatig bezoekende monseigneur gaan forse bedragen naar het Vaticaan. Jongste zoon Ernest krijgt als bedankje zijn Eerste Communie uit handen van de paus.
In 1856 gaat de sloophamer in het oude kasteel en verrijst er een ‘middeleeuwse’ creatie van de Engelse architect Edward Pugin. Hij en de Van Caloens vinden dat neogotiek de enige, christelijke kunststijl is, in lijn met kerkelijke zeden en Belgische tradities.

Het zal niet verwonderen dat een landhuis met zulke gefortuneerde bewoners van onder tot boven is verfraaid met kerkelijke kunst. Bijzonder is de Blauwe Salon met de muurschilderingen van historische gebeurtenissen en heiligen van de Duitser August Martin.
Een ervan toont de patriarch van Jeruzalem, die tijdens de Tweede Kruistocht de relikwie van het Heilig Bloed, nu in de basiliek in Brugge, overhandigt aan de geknielde Diederik, graaf van Vlaanderen, met de kruisvlag in volle wapenrusting. Huisvriend dichter Guido Gezelle schreef de begeleidende verzen.
De stank in Brugge was honderden jaren geleden niet te harden. Geen wonder dat Hendrik Jozef van Susteren, bisschop van Brugge, in 1720 besloot het “schoon en notabel casteelgoet Royeghem” te kopen en te verbouwen tot een comfortabel buitenverblijf.
Hij werd geboren in Amsterdam in het streng katholieke gezin van Gijsbert van Susteren, een belangrijke koopman. Joost van den Vondel schreef een 36-regelig huwelijksgedicht voor het echtpaar. Tien kinderen telde het gezin. Zes volgden een geestelijke roeping: twee werden kloosterzuster en drie, net als Hendrik, jezuïet.
De huidige eigenaar doet zijn uiterste best Kasteel Rooigem in stand te houden en heeft een aantal huurders gevonden in onder andere een co-housingproject. Zo zit Ellen Vandewalle met haar Komboechabrouwerij Irmindhildis in de oude stallen. Komboecha is een friszure, gefermenteerde thee.

Op het gazon van Kasteel Rooigem staan na honderd jaar weer vier stenen beelden die de kasteelheer in 1923 aan een Brugs museum schonk. Dat gaf ze terug omdat ze in de kelder lagen te verstoffen.
Het zijn putti, mollige kindertjes, in 1772 in opdracht van bisschop Jan Robert Caïmo gemaakt door de Brugse beeldhouwer Pieter Pepers. Hij was een goede klant van Pepers, bestelde ook het beeld van Samson met de leeuw, midden in de pluktuin.
Verwaarlozing maakte van de achttiende-eeuwse tuin een bijzondere biotoop voor plant en dier. In samenspraak met de eigenaar veranderde Ellen Vandewalle zes jaar geleden met een stel vrijwilligers de woestenij in een ecologisch paradijsje. Zij doopten de naar oude tekeningen ingedeelde pluktuin de Innengaard.
“Hij is gebaseerd op duurzaamheid en ecologische verantwoording. Wij gebruiken geen bestrijdingsmiddelen om de bloemen zo puur mogelijk te houden”, vertelt Vandewalle. Afhankelijk van het jaargetijde bloeit, geurt en kleurt er van alles. Wekelijks komen deelnemers hun bloemen ‘oogsten’.
Wandelend langs het Oude Vaartje met zijn witte huisjes kun je je niet voorstellen dat twee kilometer verder in Zeebrugge een zee van blik staat, honderdduizend onverkochte auto’s uit Azië. Een groter contrast met het Heiligenmuseum en De Soete Paepe, het snoepwinkeltje uit 1920, in het pittoreske Lissewege is niet denkbaar.

Rudy Desmedt, ‘Mister VVV’ kun je hem wel noemen, is de conservator van het museum in de vroegere pastorie uit 1638. “De zomertentoonstelling in 2005 met veertig patroonheiligen was zo’n succes dat we besloten hem permanent te maken”, vertelt Desmedt.
De collectie telt nu ruim tweehonderd neogotische heiligen. Meestal van hout, gips of terracotta bieden de patroon-, bescherm- en geneesheiligen in allerlei soorten en maten elk hun eigen verhaal. Vooral de minder bekende heiligen maken de collectie uniek in Vlaanderen.
Om de hoek staat het imposante beeld van Willem van Saeftinghe, de lekenbroeder uit de cisterciënzerabdij Ter Doest, even buiten het dorp. Hij maakte in 1302 in de beroemde Guldensporenslag de Franse legeraanvoerder Robert d’Artois een kopje kleiner.
Van de abdij rest nu alleen nog een gigantische veertiende-eeuwse voorraadschuur. Tien eiken pijlers dragen het indrukwekkende dakgebint, waarop 38.000 dakpannen liggen. Het was een tiendenschuur, waar iedereen een tiende deel van zijn oogst moest afstaan. De opbrengst was bedoeld voor armenzorg en het levensonderhoud van priesters.
Wij sluiten onze driedaagse verkenning van het Brugse Ommeland af in Lissewege bij een heel toepasselijk kunstwerk van Luc de Prest, getiteld Happy People. Dat word je vanzelf na een bezoek aan zo’n paradijsje.
Zie hier voor meer info.
Er zijn geen artikelen gevonden