
Zien we onze hond, kat of cavia terug in de hemel? Die vraag houdt gelovige dierenliefhebbers al eeuwen bezig – en grote christelijke denkers net zo goed.
Om een antwoord te geven op de vraag of dieren naar de hemel gaan, is het zinnig om eerst een andere vraag te beantwoorden: hebben dieren een ziel? Dat hangt natuurlijk af van hoe we ‘ziel’ definiëren. Heidense en christelijke schrijvers uit de oudheid en de middeleeuwen gebruikten vaak termen die we vertalen als ‘ziel’ om te verwijzen naar dat deel van een levend wezen dat het onderscheidt van levenloze dingen.
Sommige teksten in het Oude Testament lijken Hebreeuwse termen op een vergelijkbare manier te gebruiken. De uitdrukking nephesh chayah (letterlijk: ‘levende ziel’) kan bijvoorbeeld zowel verwijzen naar mensen (Gen. 2,7) als naar dieren (Gen. 1,30). Ruach, de Hebreeuwse term voor ‘geest’ en ‘adem’, wordt in Prediker 3,21 ook toegepast op zowel mensen als dieren.
Als we op deze algemene manier over de ‘ziel’ denken, dan hebben dieren en zelfs planten iets wat je een ‘ziel’ zou kunnen noemen, simpelweg omdat ze leven. Daarbij moeten we wel in het achterhoofd houden dat de zielen van dieren en mensen heel verschillend zijn.
Van alle aardse schepselen zijn alleen mensen naar het beeld van God geschapen (Gen. 1,26-27). Onze ziel is een onsterfelijke, rationele geest, die op hoog niveau kan redeneren en communiceren en in staat is om met een vrije wil te kiezen tussen goed en kwaad.
Van alle aardse schepselen zijn alleen mensen werkelijk in staat om lief te hebben in de volle betekenis van het woord: het beste voor een ander willen. Mensen kunnen God kennen en liefhebben en vriendschap met Hem sluiten zoals geen enkel ander aards schepsel dat kan.
Hoe zit het dan met de tweede vraag: gaan dieren naar de hemel? Sommige mensen wijzen op het bijbelverhaal waarin Elia door vurige paarden naar de hemel wordt gebracht als bewijs dat dieren in de hemel kunnen zijn. Maar uit die passage kunnen geen definitieve conclusies worden getrokken.
Als sommige dieren naar de hemel gaan, zou dat niet om dezelfde reden zijn als waarom mensen in de hemel zijn.
Aangezien mensen op een unieke manier met God kunnen omgaan, zou het logisch zijn dat het leven in de hemel een voorrecht is dat dieren op geen enkele manier met ons delen. Maar de Bijbel lijkt hierover te zwijgen. De Kerk heeft zich er nooit gezaghebbend over uitgesproken.
De Kerk niet, maar grote christelijke denkers hebben zich wel in de kwestie vastgebeten. Thomas van Aquino meende dat de ‘zielen’ van dieren de dood niet konden overleven. In tegenstelling tot menselijke zielen, zei hij, zijn ze vergankelijk wanneer ze van hun lichaam worden gescheiden.
Dat neemt niet weg dat God toch kan besluiten om dierenzielen een voorrecht te schenken dat hun natuurlijke vermogens te boven gaat. In ieder geval weten we dat, aangezien dieren geen heiligmakende genade in hun ziel kunnen hebben, ze God niet van aangezicht tot aangezicht kunnen zien. Dus als sommige dieren naar de hemel gaan, zou dat niet om dezelfde reden zijn als waarom mensen in de hemel zijn.
Het zou kunnen dat God de dieren die we op aarde hebben liefgehad laat deelnemen aan ons hemelse leven als onderdeel van ons eeuwige geluk. Aangezien God zelf vreugde schept in alle goede schepselen die Hij heeft gemaakt, wil Hij dieren misschien een leven in de hemel geven omwille van zijn eigen plezier en glorie.
Zoals de christelijke schrijver C.S. Lewis opmerkte, zijn onze huisdieren een belangrijk onderdeel van ons leven, bijna een verlengstuk van wie we zijn. Door hun band met ons stijgen ze naar een hoger niveau van leven dan ze op zichzelf zouden hebben gehad. Onderzoek naar het gedrag van honden lijkt dit laatste idee zelfs wetenschappelijk te ondersteunen.

“Op deze manier”, concludeert Lewis, “lijkt het mij mogelijk dat bepaalde dieren een onsterfelijkheid hebben, niet in zichzelf, maar in de onsterfelijkheid van hun baasjes”.
Zou dit een aspect kunnen zijn van de uiteindelijke vernieuwing van de hele schepping waarover de Schrift spreekt? Paulus vertelt ons dat andere schepselen hebben geleden onder de gevolgen van de zonde van de mens. Maar door de verlossing van het menselijk geslacht door Christus zal “de schepping zelf” worden “bevrijd van de slavernij van de vergankelijkheid en delen in de heerlijke vrijheid van de kinderen van God” (Rom. 8,20-22).
We kunnen op zijn minst zeggen dat alles wat we op aarde liefhebben, bepaalt wie we zijn. De effecten van die liefde op ons, inclusief onze dierbare herinneringen daaraan, zullen in zekere zin voor altijd in ons voortleven.
Misschien moeten we afsluiten met een laatste bemoedigende opmerking: aangezien niet-menselijke schepselen moreel niet verantwoordelijk zijn voor hun gedrag op aarde, kunnen ze geen beloning verdienen, maar ook geen straf. Ze kunnen dus niet lijden in de hel.
Een van Lewis’ lezers maakte ooit grapjes over zijn speculatie dat dieren een hemels bestaan zouden mogen leiden. De grappenmaker wilde weten: “Waar ga je dan alle muggen laten?” Onverstoorbaar antwoordde Lewis: “Een hemel voor muggen en een hel voor mensen zouden heel gemakkelijk gecombineerd kunnen worden.”
Paul Thigpen is emeritus-hoogleraar theologie.
Er zijn geen artikelen gevonden