
De komende Amerikaanse presidentsverkiezingen vinden plaats in het licht van een bittere ideeënstrijd over onder meer gezin, gender en ras. In de afgelopen 170 jaar hebben in de VS drie grote cultuuroorlogen gewoed, waarvan de derde nu aan de gang is. De katholieke gemeenschap speelde in alle clashes een prominente rol.
In Amerika speelt al decennia een strijd tussen conservatieve en progressieve krachten over zeggenschap met betrekking tot waarden rondom familie en gezin, huwelijk, abortus, kunst en politiek en rechtspraak. Een dergelijke ideeënoorlog wordt sinds de Kulturkampf van 1870 in Duitsland cultuurstrijd, of in het Engels culture war genoemd.
De komende verkiezingen worden, ook door presidentskandidaten Biden en Trump, als een belangrijke slag in deze cultuuroorlog bestempeld. De winnaar heeft, in ieder geval de komende jaren, de macht om zijn stempel te drukken op de heersende waarden in Amerika.
De huidige cultuurstrijd in Amerika is bijna alomvattend: de groep die zichzelf als conservatief bestempelt en ideeën aanhangt als een kleine overheid, weinig belastingen, traditionele familiewaarden en die pro-wapenbezit en anti-abortus is, verafschuwt de progressieve groep Amerikanen die over het algemeen voor een grotere overheid is, ruimhartige ziektekostenverzekeringen voorstaat, tolerant staat tegenover andere gezinsverbanden dan het traditionele, en tegen wapens en voor abortus is.

Professor James Davison Hunter schreef al in de jaren negentig het boek Culture Wars, The Struggle to Define America. Dat boek is nog steeds actueel. Volgens hem zijn conservatieven geneigd om alles bij het oude te laten en willen progressieven verandering. Onder de conservatieven bevinden zich veel evangelische christenen en orthodoxe joden, samen met traditionele katholieken. In het progressieve kamp bevinden zich de liberale protestanten, de seculiere joden en progressieve katholieken, net als de geseculariseerde Amerikanen.
Deze verdeling van partijen mag in onze ogen logisch lijken, maar is het vanuit historisch perspectief zeker niet.
In de eerste grote cultuurstrijd in Amerika, die zo van 1850 tot 1920 duurde, waren het katholieken en protestanten die recht tegenover elkaar stonden, net als in de Kulturkampf in Pruisen. Daar vaardigde kanselier Otto von Bismarck in 1870 antikatholieke wetten uit die de rol van de Kerk moesten beperken. De Pruisische regering zag de maatregelen als middelen vóór moderniteit en tegen wat ze beschouwde als ‘achterlijk’ katholicisme.
Amerika beschouwde zichzelf als een protestantse natie, net als Pruisen. Ook de burgerlijke en politieke elite van de nog redelijk nieuwe Verenigde Staten was exclusief protestant. De zogenoemde WASP’s (White Anglo-Saxon Protestants) brachten een narratief met zich mee dat een sterke Bijbelse connotatie had. Amerika was het beloofde land voor de protestantse christenen, ja, zelfs Gods’ Own Country dat een specifieke rol had te vervullen in de wereldgeschiedenis.
Katholieken hadden daar overduidelijk géén aandeel in volgens de protestanten. Toen halverwege de negentiende eeuw grote groepen katholieken uit Ierland en Duitsland het land binnenkwamen, werd dat dan ook met argusogen door de elite bekeken en actief bestreden met antikatholieke propaganda. Tientallen tijdschriften, meer dan tweehonderd boeken en een groot aantal antikatholieke verenigingen hadden maar één doel: de protestante meerderheid waarschuwen voor katholieken.
Katholieken werden ervan verdacht geen goede Amerikanen te kunnen zijn, vanwege loyaliteit aan Rome. Verzonnen verhalen over perverse nonnen en priesters, zo schrijft Davison Hunter in zijn analyse van de historische wortels van de culture war, en zelfs rellen en brandstichting in kloosters en kerken kwamen rond 1850 geregeld voor.
Het drinkgedrag en daaruit voortvloeiende misstanden waren ook de eerste generatie katholieken – die al een zekere positie aan het verwerven waren – en de bisschoppen een doorn in het oog.
Het weerhield miljoenen katholieken op de vlucht voor armoede uit Italië, Ierland, Litouwen en Oostenrijk niet. De katholieke immigranten werden na aankomst in de Verenigde Staten bijna allemaal in de grote steden in het noordoosten gehuisvest. New York, Boston, Philadelphia en Baltimore kregen grote katholieke gemeenschappen.
De nieuwkomers, uit de armste streken van Europa, konden vaak amper lezen of schrijven, dronken veel en raakten verzeild in vechtpartijen. De armoede maakte criminaliteit aantrekkelijk en het aantal katholieken onder veroordeelden was hoog.
De nieuwe katholieke Amerikanen vormden een onderklasse van de maatschappij, maar wel een onderklasse die steeds groter werd. De negatieve propaganda, verspreid door de elite, verwees tot in de twintigste eeuw naar de religie als wezensvreemd voor het land. De criminaliteit en het alcoholgebruik van de nieuwkomers maakte dat de katholieken als inferieur bestempeld werden door de protestanten.
Het drinkgedrag en daaruit voortvloeiende misstanden waren ook de eerste generatie katholieken – die al een zekere positie aan het verwerven waren – en de bisschoppen een doorn in het oog. Deze elite, bestaande uit leken en geestelijkheid, richtte genootschappen voor drankbestrijding op. Katholieken moesten respectabele burgers worden.
De drankbestrijdingsverenigingen waren succesvol; ondernemingszin en onderwijs hielpen mee om uit de armoede te komen. Met een verbeterde economische positie kwamen aanzien en politieke zeggenschap begin twintigste eeuw in het vizier. Katholieken werden langzamerhand onderdeel van het establishment van de Amerikaanse samenleving.

Het proces werd versneld nadat in twee wereldoorlogen veel katholieke jongemannen voor Amerika het leger in waren gegaan en zo hun loyaliteit bewezen aan het nieuwe vaderland. Het zou overigens nog tot de jaren zestig duren voordat een katholiek het hoogste ambt zou van de Verenigde Staten zou bekleden. In 1961 werd John F. Kennedy de eerste katholieke president. Joe Biden volgde pas ruim zestig jaar later als tweede.
In de jaren dertig maakte het land de ernstigste economische crisis in haar geschiedenis door. Grote werkloosheid en erbarmelijke omstandigheden voor hen die hun baan kwijtraakten, waren het gevolg. Veel werkloze katholieken vielen terug in de armoede van vroeger.
Het waren vooral de communisten die hevig ageerden tegen het economische onrecht en het extreme kapitalisme dat de crisis veroorzaakt had. De strijd van de communisten kon ook onder katholieke arbeiders en werklozen op veel sympathie rekenen.

Veel van de katholieken die het land binnen waren gekomen, kwamen uit tradities en samenlevingen waar het harde kapitalisme lang niet zo in het DNA van de samenleving verankerd was als in hun nieuwe vaderland. Concepten als corporatisme, gilden en coöperaties waren niet vreemd voor veel Italiaanse en Duitse immigranten.
De schaduw van de Russische Revolutie van 1917 en de stichting van de Sovjetunie maakte echter alles wat zweemde naar socialisme, communisme of bolsjewisme verdacht. Dat hielp het kapitalisme, ondanks de Grote Depressie, nog sterker in het zadel.
De bisschoppen van Amerika en de katholieke elite wilden hun nieuw verworven plek in het establishment niet verspelen en sloten zich aan bij het kamp dat hartstochtelijk de vrije markt verdedigde.
Er was en bleef maar één economisch model voor Amerika, met hand en tand verdedigd door de politieke elite van de Verenigde Staten. De top van religieus Amerika hielp hen daarbij. De antireligieuze toon van de sovjets en de vervolging van gelovigen maakte ze bevreesd voor het ‘rode gevaar’ en dreef hen in de armen van economisch rechts.
Tegen wil en dank werden religieuze leiders bondgenoot van de kapitalisten. De bisschoppen van Amerika en de katholieke elite wilden hun nieuw verworven plek in het establishment niet verspelen en sloten zich aan bij het kamp dat hartstochtelijk de vrije markt verdedigde, ondanks meer dan een handvol argumenten om tegen het extreme kapitalisme en haar gevolgen te ageren.
Bewegingen als de Catholic Worker Movement van Dorothy Day en de Nationale Farm Workers Association van César Chavez wezen voortdurend op de misstanden die voortkwamen uit de economische orde. Ze beriepen zich op de grote encyclieken Rerum Novarum en Quadragesimo Anno, over de katholieke sociale leer.

De Amerikaanse bisschoppen steunden de sociale bewegingen maar mondjesmaat, ze vormden weliswaar een alternatief voor ‘linkse’ katholieken, die zo niet over zouden lopen naar de socialisten, of nog erger, de communisten en in de Kerk konden blijven.
Maar de meerderheid van de katholieken in Amerika, onder leiding van de bisschoppen, streed ter rechterzijde mee tegen het socialisme en communisme. Die strijd vond haar hoogte- of dieptepunt na de Tweede Wereldoorlog, in het McCarthyisme, de heftige vervolging van de communisten in de jaren vijftig van de twintigste eeuw.
Hoofdstuk 3: Een clash over normen en waarden
De derde grote ideeënstrijd in de Verenigde Staten is de huidige clash over normen en waarden. Kwesties als abortus, rassengelijkheid en minder traditionele vormen van gezinsverband zijn de onderwerpen die tot verhitte discussies leiden. Deze strijd heeft wortels in de jaren zestig en is nu op een kookpunt beland.

In deze ‘oorlog’ staan wederom twee partijen tegenover elkaar, die aan de ene kant wel en de andere kant geen verandering willen. We zagen in de strijd om hegemonie vóór het kapitalisme, tegen het socialisme en communisme, van ongeveer 1930 tot 1960, de eerste scheurtjes in de consensus over het economische model onder de katholieken, maar dat had nog geen gevolgen voor de consensus over de leer en de houding tegenover de Kerk.
De katholieke gemeenschap van Amerika had zich vanaf het begin, toen de eerste nieuwkomers zich ontfermden over de volgende golf geloofsgenoten, verenigd in een bolwerk van parochies, scholen en verenigingen.
Er was weinig interactie met andere Amerikanen, het leven werd geleefd in de bubbel van medekatholieken. Er bestond in eigen kring grote consensus over thema’s als het huwelijk, echtscheiding, abortus, homoseksualiteit, rolverdeling van mannen en vrouwen en eventuele gendergerelateerde issues.
Maar door het Tweede Vaticaans Concilie, de seksuele revolutie van de jaren zestig, het ageren tegen bestaande machtsverhoudingen en gemengde huwelijken braken katholieken uit de bubbel. Dat zette zaken op scherp. De scheuren in de consensus werden snel zichtbaarder en groter, vaak langs dezelfde lijnen als in het economische conflict.

Binnen de protestantse kerken en bij de Amerikaanse joden voltrok zich precies dezelfde ontwikkeling. De lijn tussen veranderingsgezinde en behoudende Amerikanen verschoof dwars door alle christelijke en joodse groeperingen. Dat betekende dat de nieuwe strijd zich niet langer tussen denominaties afspeelde, maar zich verplaatste naar het hart van de gemeenschappen.
In 170 jaar is er aan de klassieke posities in een cultuurstrijd niet veel veranderd: een conservatieve elite voelt zich bedreigd door een meer progressieve partij, die andere culturele waarden of een andere economische verdeling voorstaat. De geschiedenis laat zien dat wanneer de underdog daadwerkelijk de bovenliggende positie bemachtigt, ze deze niet zomaar wil opgeven.
Katholieken zijn partij geweest in de verschillende cultuuroorlogen in Amerika. Net als in de oorspronkelijke Kulturkampf in Duitsland onder Bismarck, werden de katholieken gezien als partij die moest worden geweerd van zeggenschap en invloed. Uitsluiting en antikatholieke propaganda werden daarin vaak als wapen ingezet.
Tegen de onderdrukking in werden katholieken daarna onderdeel van het establishment en verdedigden daarna, samen met de protestante broeders, vurig het kapitalisme en de vrije markt. In de laatste honderd jaar is de katholieke gemeenschap van underdog tot onderdeel van het establishment geworden.
De geschiedenis laat zien dat wanneer de underdog daadwerkelijk de bovenliggende positie bemachtigt, ze deze niet zomaar wil opgeven.
Tegenwoordig zijn katholieken een gewilde partner in de alliantie die conservatieve culturele waarden met een harde neoliberale agenda combineert. Dat partnerschap heeft verdeeldheid binnen de gemeenschap tot gevolg.
De eerder genoemde James Davison Hunter vroeg zich in de jaren negentig al af hoe er een einde kan komen aan cultuuroorlogen die bijna nergens zo fel gestreden worden als in Amerika. Hij formuleert in zijn boek Culture Wars ook het antwoord op die vraag: pluralisme.
Het lijkt een open deur, maar samenlevingen waarin verschillende culturen en politieke voorkeuren naast elkaar kunnen bestaan, maken dat het recht van de sterkste niet bevochten of verdedigd hoeft te worden in een bijna eeuwigdurende strijd.
![]() | Lees meer!Dit artikel is afkomstig uit Katholiek Nieuwsblad van deze week. |
Er zijn geen artikelen gevonden