Een traditie van eeuwen­ tegenover de waan van de dag

Lees al vanaf 0,20 p/d

Gezien worden voelt als een totalitair verlangen

Peter van Duyvenvoorde

08 juli 2024

Jan Cremer is dood. Daar zal bij het verschijnen van deze column al veel – zo niet alles – over gezegd zijn. Het gaat me hier om een bijpersonage, om iemand waarvan ik me altijd heb afgevraagd of Jan Cremer hem zich nog wel herinnert. We bezochten dezelfde kerk. Toen ik eens een cursus over het boek 25 eeuwen theologie gaf, leerden we elkaar kennen. Opvallend figuur. Prachtige dictie.

Toonde steeds een ja, hoe zal ik het zeggen, een diepe verliefdheid bijna op God, de kerk, op het gehele katholieke leven. Hij was een figuur die direct sympathie opwekte bij eenieder die hem maar sprak. Klein van stuk, mondig, en dan dus die grijze haardos.

Een anekdote: in zijn wilde jeugd was hij eens ergens in een grot te Ibiza ontwaakt met talloze vrouwen én Jan Cremer – als ik me de anekdote goed herinner. Het was een verhaal dat hij graag vertelde, symbolisch voor wie hij ooit was voordat hij devoot katholiek werd. Hoewel hij, geloof ik, niet was ingetreden, leefde hij wel geheel en al voor de heilige moederkerk: celibatair.

Momenteel lees ik Herinnering aan mijn droeve hoeren van Gabriel García Márquez. Een man, zijn leven lang alleen gebleven, recensent klassieke muziek en columnist voor een lokale krant in een stad in Colombia, wordt negentig. Een dag of twee voor zijn verjaardag belt hij een madame op – hij heeft in zijn leven nóóit seks gehad waar hij niet voor betaalde, zegt hij trots: hij heeft behoefte aan een jonge maagd.

Ik heb me altijd, en eigenlijk nog steeds, erg onbegrepen gevoeld thuis – maar wel ten diepste liefgehad

Een beetje last minute, maar de madame weet toch iemand te vinden. Een meisje nog, dat overdag in een knopenfabriek werkt. Als de jarige man haar bezoekt, slaapt ze de hele nacht aan een stuk door. Hij beziet haar, maar maakt haar niet wakker. De madame is daarna verbaasd. Het meisje twijfelt aan zichzelf. De man wil haar nog een nacht en nog een nacht en nog een nacht: niets gebeurt er tussen hen, hij kijkt alleen maar hoe ze slaapt.

Kijken. Gezien worden. Ik merk om mij heen dat mensen van mijn leeftijd hun ouders verwijten hen niet genoeg te zien, hun partner verwijten hen niet genoeg te zien; ten diepste in al je facetten begrepen worden. Lijkt mij nogal een hoge inzet. Het voelt als een totalitair verlangen. Want wordt de inzet niet gehaald, dan is er gefaald. Ik heb me altijd, en eigenlijk nog steeds, erg onbegrepen gevoeld thuis – maar wel ten diepste liefgehad.

Dat lijkt me al heel wat. Ik zou die mensen wat meer God gunnen, die hen ziet waar de mensen dat soms niet doen. Jaren had ik niet meer gehoord van die man met die grijze haardos, tot ik hem ineens tegenkwam in een artikel in Het Parool. Fier op een foto op het Waterlooplein: op zijn 72ste had hij, onverwacht, onbedoeld, ineens, de liefde gevonden. Ze hadden zelfs het bed gedeeld. Daar moesten we ons niet te veel van voorstellen.

Hij hield eventjes zijn hand op haar heup, draaide zich om en “heeft een half uur op de rand van het bed zitten wenen”. Blijkbaar is door God gezien worden ook niet voldoende: hij werd nu, op zijn 72ste, opnieuw gezien – door de ander. En de negentigjarige? Voor het eerst kreeg hij de kans om te zien, dat was uiteindelijk alles wat hij wilde. En zo zal, gelukkig, niets onopgemerkt blijven: door God, de ander en door onszelf.

Peter van Duyvenvoorde is schrijver en filosoof. Elke drie weken schrijft hij een column in Katholiek Nieuwsblad.

Dit artikel delen: