
Op een bankje bij de garage, terwijl de olie van mijn auto wordt ververst en de bumper vastgeschroefd wordt – want ieder voorjaar laat die weer los op de wegen vol gaten – gaan mijn gedachten uit naar alles wat er nog te doen valt. Een hele lijst, waaronder ook deze column valt. Ik vrees dat ik het allemaal op één dag niet af kan krijgen en zonder auto al helemaal niet.
We zullen volgende week met ruim 44 mensen zijn vanwege de jongerenbijeenkomst van het dekenaat, die dit jaar bij ons in Chabarovsk zal plaatsvinden. Bedden opmaken, stretchers bijplaatsen, banners laten drukken, de kamers verdelen, inkopen doen en ruimte vrijmaken, zodat meer mensen in huis passen.
We hebben in de parochie een kamer waar we tweedehandse kledij en andere spullen bewaren voor de mensen die deze hulp goed kunnen gebruiken. Maar die kamer is nodig en wat buiten de kast staat, moet erin. Dat wordt een onmogelijke opgave.
Vandaar dat ik nog twee ritten op de agenda heb staan. Eén naar de psychiatrische inrichting van de stad, waar ze blij zijn met gemakkelijke kledij voor de patiënten. En een tweede rit naar het tehuis voor daklozen, waar nood is aan absoluut alles wat je maar bedenken kunt. Gisteren brachten we samen met pater José een eerste vracht.
Als hij naar ‘thuis’ verlangt – naar een plaats waar ieder mens, ondanks alles, geliefd is – komt hij bij ons.
We vroegen Sacha om mee te gaan, want hij logeert in de parochie omdat hij conflicten heeft op zijn werk en thuis is het ook niet beter. Sacha drinkt te veel en rookt als een ketter, maar in zijn meest wanhopige situaties vraagt hij altijd of hij even “naar huis” mag komen. Zijn moeder was mijn petekind en hebben we verzorgd op haar sterfbed. Als hij naar “thuis” verlangt – naar een plaats waar ieder mens, ondanks alles, geliefd is – komt hij bij ons.
Zoals de meeste mensen wist ook Sacha niet van het bestaan van het tehuis voor daklozen. Het aanzicht van zoveel leed van mensen die een ledemaat moeten missen, de schrijnende armoede – en nu in de tropisch warme zomer een invasie van ontelbare vliegen die feest hadden met het bord erwtensoep dat de mensen geserveerd kregen – raakte hem diep.
Onze keiharde Sacha veegde tranen weg uit zijn ogen toen we terug naar huis reden. “Dank dat je me deze realiteit hebt laten zien. Nu besef ik pas hoe goed ik het eigenlijk wel heb. Dat er mensen zijn die er veel slechter aan toe zijn dan ik. Ik heb de hel gezien.”
“Nee, Sacha”, antwoord ik hem, “het vagevuur. Het is onze taak om hier hoop op verlossing te brengen.”
Op een bed met een plastic matras zagen we een man op wiens borst een groot kruis is getatoeëerd. Zijn rug heeft wonden en de vliegen plagen hem met tientallen tegelijk op zijn uitgemergelde lichaam. Ik vroeg hem of hij een beetje water wilde en hij knikte. Een uitgedroogde Christus die langzaam sterft op het kruis.
Hij had zo’n dorst… Pater José gaf hem de zegen. We gaan morgen weer, om nog wat medicijnen en nuttige spullen te brengen. Zullen we hem weer zien, deze dorstige lijdende mens? Mogen voor hem de troostende woorden weerklinken: “Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs” (Lc. 23, 43).
Madre Anima Christi is missionaris in Rusland. Elke drie weken schrijft ze een column in Katholiek Nieuwsblad.
Er zijn geen artikelen gevonden