
Er zijn van die momenten waarop liefde haast vanzelf lijkt te stromen. Een voorbeeld: samen met mijn zussen in de keuken van mijn oma staan, terwijl we onder het genot van een drankje een heerlijke taart bakken en de laatste roddels bespreken.
Of een paar weken geleden, toen mijn vrienden en ik onze wekker om half zes hadden gezet om de zonsopgang over de Mont Saint Odile mee te maken. Of toen mijn vriend en ik een ijsje haalden na een picknick in het bos. Op zulke momenten is het makkelijk om te denken: ja, van hen houd ik.
Die aardse liefde voelt voor mij vaak veel natuurlijker dan liefde voor God. Het is tastbaarder, zichtbaarder, iets wat ik bij God soms mis. En dat vormt een goddelijke paradox, want zou het niet juist makkelijker moeten zijn om Hem lief te hebben? Hij ís immers de liefde zelf.
Wanneer houd je écht van iemand? De catechismus (oké, ik geef het toe: de YouCat) zegt dat liefde de vrije overgave van het hart is: je geeft jezelf ergens volledig aan over. Bij aardse liefde herken ik dat in het waarderen van mensen om wie ze zijn, en niet om wat ze doen. Liefde is irrationeel, en daarom is het bijna onmogelijk volledig antwoord te geven op deze vraag.
De moderne wereld maakt het er niet makkelijker op. Liefde wordt regelmatig verward met lust, of het wordt afgebeeld als iets verstikkends en beperkends, of juist als iets moois maar vluchtigs – als iets waar wij als mensen boven zouden moeten staan. Het staat vaak haaks tegenover de “vrije overgave van het hart” en negeert dat liefde iets is waar we aan moeten werken.
We tonen die liefde aan God én aan elkaar: door te luisteren, dingen te delen, er gewoon te zijn.
Dus waar gaat goddelijke liefde dan om? Misschien dat ik toch wel al goed op weg ben. God is liefde, dus ook onze aardse, christelijke liefde is een vorm van onze liefde van en voor Hem. We tonen die liefde aan God én aan elkaar: door te luisteren, dingen te delen, er gewoon te zijn.
Dat voelt vaak makkelijker bij mensen dan bij God, maar eigenlijk oefenen we daar al mee tijdens de Mis. We luisteren naar Hem door de Bijbel te lezen, delen onze gedachten in het gebed en komen dicht bij Hem tijdens de Eucharistie.
Natuurlijk is de Mis alleen onze basis, en zullen we zelf moeten werken aan een volledige overgave in Godsliefde. Ik moet dan denken aan een verhaal over de heilige pastoor van Ars, waar ik graag een voorbeeld aan neem.
Het verhaal gaat dat hij in zijn kerk een oude boer zag die regelmatig uren achter elkaar sereen zat te bidden. De pastoor vroeg nieuwsgierig aan hem hoe hij bad. De boer antwoordde: “Ik kijk Hem aan, en Hij kijkt naar mij. Dat is genoeg.”
Als zulke devotie en overgave mijn streven is, heb ik nog een lange weg te gaan. Maar dat heb ik over voor Degene van wie ik houd.
Simone van Workum (19) is student Global Sustainability Science met een minor in journalistiek. Ze schrijft elke maand een column voor KN Jong.
Er zijn geen artikelen gevonden