
De ontwikkelingen rondom kunstmatige intelligentie waren in de tijd van de heilige Titus Brandsma onvoorstelbaar. Toch kunnen we uit zijn beroemde pleidooi voor een dynamisch Gods- en mensbeeld inspiratie putten voor onze kijk op de verhoudingen tussen de mens en AI.
De fascinatie voor kunstmatige intelligentie (AI) in katholieke kringen is groeiende en dat is begrijpelijk. Paus Leo XIV verklaarde AI tot cruciaal aandachtspunt in zijn pontificaat. De mensheid, zo stelt hij, staat op een kruispunt en hij wijst op de wereldwijde urgentie voor het ethisch beoordelen en normeren van AI.
Vorig jaar werd in de rubriek Geloofsvragen op kn.nl zelfs de vraag gesteld of AI, alwetend en in feite onsterfelijk, nog verschilt van God. In de beantwoording van deze vraag kunnen we een beroep doen op de filosofie van de heilige Titus Brandsma (1881-1942).
Op 17 oktober 1932 sprak de dan net aan de Katholieke Universiteit Nijmegen benoemde rector Titus Brandsma zijn beroemde diesrede uit. Een lange rede, geheel volgens de mores van die tijd, maar met een opvallend korte titel: Godsbegrip.
De aanleiding voor de Friese pater karmeliet om dit thema te kiezen is gelegen in een tanende belangstelling van mensen voor een goed begrip van God. Dat mensen zich van God afkeren baart Titus zorgen, maar er is nog een andere reden waarom hij het Godsbegrip ter discussie stelt. Hij maakt zich vooral zorgen dat we onze beelden van God zien als antwoorden op onze zoektocht naar begrip van God. Juist het onderscheid tussen Godsbegrip en Godsbeeld is voor hem fundamenteel.
Titus betoogt dat als de mens de Godsvraag niet meer stelt, God al snel tot een almachtige abstractie verwordt, waaraan de mens zich slechts kan onderwerpen. Dat creëert een afstand tussen de mens en God, waardoor het alledaagse menselijke leven er niet meer toe lijkt te doen, terwijl juist daarin de relatie met God gestalte krijgt.
Titus betoogt dat beelden van God per definitie imperfect zijn en het product van continue maatschappelijke verandering.
Dat is een probleem voor de mensheid, zo legt hij uit, omdat precies dit soort almachtige abstracties achter totalitaire politieke ideologieën schuilgaan. Zowel communisme als fascisme, in 1932 beide prominent aanwezig in de maatschappij, bedienen zich van dergelijke grote en abstracte visies op een toekomst waarheen de mensheid noodzakelijkerwijs beweegt.
Zijn eigen tragische einde in concentratiekamp Dachau op 26 juli 1942, 83 jaar geleden, kon Titus toen onmogelijk voorzien, maar de geschiedenis daarheen voorvoelde hij hiermee pijnlijk correct.
Titus wijst op de betrekkelijkheid en tijdelijkheid van concrete Godsbeelden. De aanvaarding ervan als absoluut en eeuwig betekent een einde aan het stellen van de Godsvraag. Het heeft tot gevolg dat we ons verliezen in concrete en persoonlijke doelen, zoals geld, groei en consumptie, gedreven door zielloze en doelgerichte marketing.
Daarmee verliezen we de essentie van ons menselijk bestaan uit het oog. Titus betoogt dat beelden van God per definitie imperfect zijn en het product van continue maatschappelijke verandering. Elke tijd, zo betoogt hij, biedt andere beelden en vraagt daar ook om, zodat geen enkel Godsbeeld eeuwigheidsstatus verdient.
Ons denken en spreken over God is, als het ware, gedoemd om te blijven evolueren, heen en weer meanderend tussen een abstract Godsbegrip en concrete Godsbeelden. Die dynamiek, aldus Titus, is precies wat we nodig hebben. Dit punt vormt de kern van zijn rede.
Titus’ boodschap lijkt vooral aan theologen gericht, maar dat is schijn. Zijn rede was allerminst bedoeld als een lezing van en voor academische godsgeleerden. Juist zijn mystieke bewondering en navolging van de karmelitaanse mystica Teresa van Ávila (1515-1582) motiveerde hem om een lezing te houden voor het algemene publiek.
Het belang van mystiek steekt hij daarbij niet onder stoelen of banken. Juist de mysticus begrijpt de onophefbare spanning tussen onze voortdurende zoektocht naar de eeuwige God en de beperktheid van Godsbeelden. Titus probeert zijn publiek in deze mystieke traditie mee te nemen en het belang ervan te laten zien.
Dat belang is ook om een andere reden niet primair academisch of theologisch. Uitgangspunt van de christelijke traditie is immers dat de mens naar het beeld van God geschapen is. Voor Titus als christelijke theoloog gaan verhandelingen over ‘Godsbeelden’ en over ‘mensbeelden’ dus in essentie over hetzelfde, wat ook geldt voor discussies over ‘Godsbegrip’ en ‘mensbegrip’.
Dat betekent dat onze huidige discussies over mensbegrip en mensbeeld zich kunnen laven aan Titus’ pleidooi voor dynamiek tussen onze poging tot begrip van abstracties en de beperktheid van elke concrete afbeelding daarvan. Titus heeft hiermee veel te zeggen over een van de meest pregnante vragen over mens-zijn van vandaag: wat betekent het om mens te zijn in het licht van de opkomst van kunstmatige intelligentie (AI)?
Typisch menselijk gedrag, zoals creativiteit en empathie, lijken ten prooi te vallen aan de techniek.
AI, zo is inmiddels breed geaccepteerd, betreft al het gedrag van machines dat we intelligent zouden noemen als dat gedrag door een mens wordt vertoond. Het omvat de kennelijke intelligente vaardigheid van machines om beeld, tekst en geluid te produceren, zoals populaire apps nu in overvloed demonstreren.
Machines lijken in staat om te denken; er lijkt weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat ze dat ooit beter zullen kunnen dan wij. Typisch menselijk gedrag, zoals creativiteit en empathie, lijken ten prooi te vallen aan de techniek, die zich met grenzeloze snelheid ontwikkelt.
Dit leidt tot een begrijpelijke neiging om aan AI een abstracte almacht toe te schrijven en de vraag of we er niet een nieuwe God in moeten zien. Even begrijpelijk is de behoefte aan nieuwe ‘mensbeelden’ en een herijkt ‘mensbegrip’ die AI hierdoor doet ontstaan. Naast grote bewondering voor de techniek voelen we namelijk ook een sterke en legitieme behoefte om ons mens-zijn te redden.
In de discussie over AI overheersen hierdoor al snel de extremen: dystopische angstbeelden en utopisch optimisme. Daarmee komen zowel de vraag hoe we ons als mens op een zinvolle en veilige manier tot AI kunnen verhouden als de Vaticaanse roep tot ethische normering op.
Titus wijst erop dat onze beelden van God, en dus van de mens, niet statisch, absoluut en compleet zijn. Deze beelden zijn continu in beweging, en onder meer afhankelijk van concrete ontwikkelingen van de technologie, zeker als die, zoals nu, revolutionair zijn. Die beweging is ook nodig en noopt ons tot actieve reflectie – en juist niet tot een vlucht in allerlei beelden.
Dat betekent niet alleen dat op de vraag of AI uiteindelijk goed of slecht is voor ons als mens geen definitief antwoord mogelijk is, maar ook dat die vraag helemaal niet zo interessant is en ons niet al te zeer moet bezighouden. Naarmate AI-technologie zich verder ontwikkelt, zal de vraag naar de verschillen en overeenkomsten tussen kunstmatige en menselijke intelligentie steeds weer anders moeten worden gesteld en ook weer een ander antwoord moeten krijgen.
Juist de technologische ontwikkeling op zoiets essentieel menselijks als intelligentie biedt een voorbeeld waarin Titus’ gedachtegoed praktische relevantie krijgt, zelfs al moeten we aannemen dat de huidige technologische ontwikkeling in 1932 letterlijk onvoorstelbaar was.
Titus leert ons dat AI niet moet worden gezien als een abstracte technologie die op weg is naar almacht en waaraan wij ons noodzakelijkerwijs en stapsgewijs moeten onderwerpen. We moeten AI dus ook niet zien als een langzame vervanging van ons als mens. Nee, die mens ontwikkelt zich met AI mee, creëert het, gebruikt het en bekritiseert het.
De mens is nooit minder, maar tegelijkertijd ook altijd meer dan ‘de som der mensbeelden’.
Dat vergt dat wij ook ten aanzien van de mensbeelden die we gebruiken in onze omgang met AI open moeten staan voor vernieuwing en ontwikkeling.
Die mensbeelden, en daarin is Titus natuurlijk ook de leraar, moeten we actief zoeken in reflectie en onderzoek. Daarbij speelt voor de mysticus Titus nog iets anders wat van belang is. De vernieuwing en ontwikkeling van Godsbeelden staan niet op zichzelf, maar moeten worden gezien in relatie tot onze zoektocht naar dat wat niet aan vernieuwing en ontwikkeling onderhevig is, namelijk de zoektocht naar een begrip van God.
De mens is nooit minder, maar tegelijkertijd ook altijd meer dan ‘de som der mensbeelden’. Gods- en mensbeelden zijn relatief van aard; overigens niet in die zin dat deze er niet toe zouden doen, maar wel in die zin dat deze altijd betrokken zijn op hun tegenpool: het Gods- en mensbegrip.
De Gods- en mensbeelden doen onzes inziens aan het panta rhei van Heraclitus denken: alles stroomt, alles is in beweging, niet is vast, alles is voorlopig. Parmenides’ idee van de onveranderlijkheid van de ‘ware werkelijkheid’ zou in dit verband aan het Gods- en mensbegrip kunnen worden gekoppeld. Het zou tegen de geest van Titus indruisen om Heraclitus tegen Parmenides uit te spelen.
Misschien ligt de grootste uitdaging voor AI, en voor haar makers en gebruikers, er juist daarin om ons actief mee te nemen in onze menselijke verwerkelijking en ons niet te laten verleiden tot het blijven hangen in de optimistische of pessimistische beelden die ons nu worden voorgeschoteld.
Aan Titus Brandsma zal het niet liggen.
Frank Hartmann is hoogleraar Accounting aan Northeastern University in Boston en filosoof. Coban Menkveld is theoloog en religiewetenschapper. Als assistent-biograaf was hij betrokken bij de totstandkoming van Denker voor Gods aangezicht, de in 2024 verschenen intellectuele biografie over Titus Brandsma.
Er zijn geen artikelen gevonden