
Net als veel generatiegenoten liet Joost Zwagerman zijn katholieke geloof vrij geruisloos varen, zo blijkt uit de recent verschenen biografie Zwaag door Maria Vlaar. Toch blijft het katholicisme een lens waardoor zijn leven en werk misschien wel het beste te begrijpen zijn.
“God is een plot.” Zo luidde de intrigerende titel van een ‘lekenpreek’ die schrijver Joost Zwagerman in 2013 hield in de Utrechtse Geertekerk. Dit drie kwartier durende sermoen is nog steeds integraal op YouTube terug te zien, en dat is de moeite waard.
Zwagerman verkende daarin in het spoor van de atheïstische filosoof Alain de Botton de waarde van religie. Hebben we met de ontkerkelijking niet het kind met het badwater weggegooid? En kunnen we nog van religieuze kunst genieten nadat God is doodverklaard?

Kunst zélf, al dan niet religieus, nam voor Joost Zwagerman (1963-2015) uiteindelijk de plek in van religie. “Mijn schuld bij een verworpen God los ik trillend in bij hen aan wie de afbetaling welbesteed is: het gilde van de schilders.” Hij kon er meesterlijk over vertellen, met het enthousiasme van de bevlogen schoolmeester die hij ook was, en dat hem ook een graag geziene gast in praatprogramma’s maakte.
Maar iets tragisch had het ook. Zeker in de laatste jaren van zijn leven werd zijn ‘kunstreligie’ duisterder, ongrijpbaarder.
Hij had het over “onbehagen en zelfverdwijning”, over “het zwijgen van een onbereikbare God”, over “het Niets”, hij hield zich bezig met mystici als Meister Eckhart en Johannes van het Kruis met diens “donkere nacht van de ziel”, dook in grimmige religieuze kunstwerken van Jeroen Bosch en Francisco de Zurbarán. En in één van zijn laatste gedichten, postuum uitgegeven in de bundel Wakend over God, dichtte hij:
Nochtans belijd ik
dat ik, tegen de klippen op,
uiteindelijk in Hem geloof.Zijn grootste en finale wapenfeit:
Hij is er niet,
Hij is alomvattende
afwezigheid.Erg is dat niet.
Ik ben er evenmin.
Aan deze (quasi-)religieuze wending in zijn laatste jaren besteedt Maria Vlaar in haar eind november verschenen biografie van Joost Zwagerman vele mooie pagina’s – ja, het complete slothoofdstuk van haar stevige boek.
Toch behandelt ze het jammer genoeg meer als de context van zijn zelfgekozen dood dan als de context van zijn leven. Terwijl: ook in het eerste hoofdstuk, dat over zijn vroegste jeugd en familie handelt, stijgen de wierookdampen onvermijdelijk uit de pagina’s omhoog.
De kleine Joost werd op 18 november 1963 nota bene met de hulp van nonnen ter wereld gebracht in het Sint-Elisabethziekenhuis in Alkmaar. Zijn ouderlijk huis stond in het Ruusbroechof in die stad. Zijn vader was hoofdonderwijzer van de Lourdesschool voor moeilijk lerende kinderen. Zijn moeder was en bleef een devote kerkganger, en frequent bezoeker van Onze Lieve Vrouw ter Nood in Heiloo.
Maar voor Vlaar lijkt dat katholicisme toch vooral een toevallig decorstuk van Zwagermans vroege jeugd, die bovenal heel alledaags en kleinburgerlijk geweest moet zijn – ‘provinciaal’, een neerbuigende kwalificatie die de biografe iets te vaak gebruikt.
En natuurlijk, zoals zo velen van zijn generatie – in de nadagen van het Rijke Roomse Leven – verdween het katholieke geloof bij Zwagerman vrij geruisloos. Het kraanwaterkatholicisme verdampte simpelweg. Tegen het einde van zijn jeugd lonkte het wereldse Amsterdam, met z’n krakers en punkers en junks en dwarse dichters.
Het levensverhaal van Joost Zwagerman laat zich wellicht beter theologiseren dan psychologiseren
Daar begint hij zich literair te ontpoppen, met een zwier en zelfvertrouwen die ook steeds angst en onzekerheid lijken te maskeren. Daar schrijft hij zijn doorbraakroman Gimmick! uit 1989, een sleutelroman over de Amsterdamse kunstscene. Deze episode meet Vlaar breed uit in verreweg de meest langdradige en lamlendige hoofdstukken uit Zwaag; weinig op heel Gods aardkloot blijkt zó volmaakt oninteressant te zijn als een kluitje omhooggevallen, coke snuivende kunstenaars uit de jaren 80 en 90.
Al lezend in Zwaag tekenen zich verrassende parallellen af met Vleugelman, de ook redelijk recente biografie van Godfried Bomans door Gé Vaartjes.
Dit artikel is niet gevonden
Hoe ongelijksoortig Zwagerman en Bomans verder ook zijn als schrijver; ze komen toch beiden uit een Noord-Hollands katholiek nest, ze verstonden beiden de kunst van het fabuleren (vooral als het om hun eigen levensgeschiedenis ging), ze hielden er beiden nogal wat minnaressen op na, konden beiden verbaal venijnig uit de hoek komen wanneer zij zich miskend voelden – en dat was nogal eens, want beiden kenden ook de keerzijde van hun mediagenieke triomfen, dat ze juist daardoor als schrijver niet door iedereen voor vol werden aangezien.
Maar ook de biografieën zelf zijn heel vergelijkbaar: allebei dikke pillen van een slordige 800 pagina’s, indrukwekkende en terecht geprezen krachttoeren, waar merkbaar zeer grondig research voor gepleegd is.
Zo grondig zelfs, dat ze lezen als een demasqué, een ontmythologisering, een afrekening met een lang gekoesterd imago. En bij zowel Vlaar als Vaartjes bekruipt je onvermijdelijk het gevoel dat zij al onderzoekend en schrijvend het laatste greintje sympathie voor hun onderwerp verloren.
Dat is toch jammer. Natuurlijk hoeven het geen kritiekloze hagiografieën te zijn, maar waarom doorschieten in het andere uiterste? Waarom, zoals Vlaar doet, niet eenmaal maar zeker driemaal opmerken dat Zwagerman helemaal niet zo vaak en lang in de VS had verbleven als hij overal rondgebazuind had? Waarom zoveel nadruk leggen op zijn onuitstaanbare kanten? Waarom de schrijver zo gretig betrappen op leugentjes of overdrijvingen in interviews?
Deze pagina is niet gevonden
Je kunt het ‘waarheidsvinding’ noemen, maar de nuchtere waarheid is dat ieder mens nu eenmaal zulke onhebbelijkheden heeft, erkenning zoekt en daarom de eigen levensverhaal altijd een tikje interessanter maakt dan het daadwerkelijk is. Maar wat dan nog? Waar is de mildheid gebleven, de welwillendheid om een levensverhaal ook daadwerkelijk een verháál te laten zijn, in plaats van een soort langgerekte fact check.
Wat dan rest is in feite ook niet meer dan benepen moralisme – foei, wat hielden deze schrijvers er toch ouderwetse standpunten en bedenkelijke zeden op na – en platgeslagen psychologie van de koude grond. ’t Zal bij Bomans wel iets te maken hebben gehad met zijn dominante vader, en bij Zwagerman iets met zijn moeders wrok over zijn vaders buitenechtelijke escapade; een lang verzwegen familiegeheim.
Zwagerman was een onverbeterlijke mysticus, die mythe en waarheid nergens tegen elkaar uitspeelde
O ja, en dat ‘provinciale’ katholicisme uit hun jeugd natuurlijk; nog zoiets dat in beide biografieën eerder als erfelijke kwaal dan als diepere drijfveer wordt behandeld.
Terwijl het dat bij beide schrijvers wel degelijk geweest moet zijn. Hun levensverhalen laten zich wellicht beter theologiseren dan psychologiseren, zelfs al rekenden zij gaandeweg af met veel katholieke uiterlijkheden uit hun jeugd.

Maar het innerlijk bleef diep katholiek. Zie hoe Zwagerman van jongs af aan met grote toewijding bezig was met het nadoen van zijn culturele helden, met het in zelf geknipte en geplakte tijdschriften imiteren van zijn grote voorbeelden. Dat zou hij blijven doen, wat hem meer dan eens de beschuldiging van plagiaat opleverde, of minstens gebrek aan originaliteit.
Natuurlijk kun je hierin zijn postmoderne kunstopvatting zien, maar evenzeer kun je het duiden als een premoderne levensvisie. Zwagerman had ook iets van een middeleeuwse monnik, die andermans werken nauwgezet kopieerde, die imitatio hoger aansloeg dan moderne zelfexpressie.
Dit artikel is niet gevonden
Een onverbeterlijke mysticus ook, die mythe en waarheid nergens als tegenpolen tegen elkaar uitspeelde, en die ondanks het verlies van oude vanzelfsprekendheden bleef zoeken naar een nieuwe horizon van zin en betekenis. Die op zoek was naar een nieuw Jeruzalem, al was het maar in een geïdealiseerd Amerika waarvan hij zelf ook wel wist dat het nooit bestaan had.
En wat hem ten slotte vaak als dweepzucht werd aangewreven, was toch in wezen niet veel anders dan typisch katholieke heiligendevotie, waar hij zich zonder gêne of ironie aan overgaf. Zijn essaybundel uit 1993 over zijn literaire en muzikale helden heette niet voor niets Collega’s van God.
“Eens een katholiek, altijd een katholiek.” Dat schreef Joost Zwagerman in dat boek over popicoon Madonna. Maar op hemzelf is dat verdict eveneens onverkort van toepassing. Misschien was zijn gelijkstelling van kunst aan religie, van God aan plot, uiteindelijk een wat onbevredigend antwoord – maar de rusteloze vragen die hij stelde, naar zin in een ogenschijnlijk zinledig universum, zijn blijvend relevant.

Maria Vlaar, Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman
Uitgeverij: Arbeiderspers
Pagina’s: 784 | € 45,-
Er zijn geen artikelen gevonden