Een traditie van eeuwen­ tegenover de waan van de dag

Lees al vanaf 0,20 p/d

Essay

Ida Gerhardt, de dichter van het wit en van het licht

Kerkhistoricus

14 augustus 2026

Ida Gerhardt in 1968.
Foto: Wikimedia Commons – Ron Kroon, Anefo/Nationaal Archief

Ida Gerhardt (1905-1997) werd bekend als psalmenvertaler, maar vooral als dichteres. In haar werk, dat ook een sterke religieuze dimensie kent, staat ze voortdurend stil bij de donkere en de lichte kanten van het leven.

Droefheid, zwaarmoedigheid is iets in onze cultuur geworden wat stoort, ongemakkelijk is. In onze talkshows moet altijd gelachen worden, mocht de droevige ernst van de wereld ons te veel aangrijpen. Ida Gerhardt streed lang tegen de zwaarmoedigheid, de pijn van de miskenning, vooral door haar tirannieke moeder, die haar ooit had toegebeten: “Je had er niet moeten zijn.”

Bevrijding

Dan gaat zij haar eigen weg, “mijn kraag opgezet”. Ze studeert klassieke talen, wordt lerares (“mijn prachtige, mijn hondse baan”). In 1936, na het overlijden van haar moeder, schrijft zij haar eerste gedichten. Na haar pensioen gaat zij Hebreeuws studeren en vertaalt zij in 1972 met Marie van de Zeyde de Psalmen, een monumentaal werk.

‘Alles wat ik gedaan heb, zegt Ida Gerhardt, “is geweest om te bevrijden”’

In 1980 ontvangt zij de Staatsprijs voor Letterkunde, de erkenning voor een groot dichterschap. Alles wat ik gedaan heb, zegt Ida Gerhardt, “is geweest om te bevrijden”. Lesgeven is bevrijden, dichten is bevrijden van wat nog slaapt in steen. De dichter kan bevrijden met het woord. Hoe word ik vrij van mijn belagers, zegt de psalm, van mijn zorgen, angsten, de pijn van mijn verleden? Geen uur ben ik alleen gebleven, zo schrijft Ida over haar moeder.

‘Zwarte mantel’

“Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden”, van haar “die mij heeft gedragen; zij die mij naar het leven stond”? Dat is de kwellende vraag. Met die donkere schaduw, dat zwart, kun je niet goed verder leven. In Gerhardts werk komen wit en licht veelvuldig voor, als contrapunten, noot tegen noot. Langs het donkere water, bij Schiedam, loopt zij met haar moeder.

“Wit liep gij op de dijk: ik hangende aan uw rok”, moeder en kind, “vijanden en bondgenoten beide”. Je moet de wonden van het verleden verzorgen, zonder dwangmatig zelfbeklag, je moet geduld hebben, wachten op een licht van elders, dat je bevrijdt van het verleden, de droefheid. Aan de andere kant van het donkere water zijn er “witte lammeren”.

Als zij haar moeder in een psychiatrische inrichting bezoekt, is er ineens het bevrijdende inzicht: ooit is haar moeder zelf miskend, getiranniseerd geweest. Dat was de “zwarte mantel” die haar moeder “zwaar gedragen” had. Dat is de doorbraak, het bevrijdende en reddende inzicht. Wij zijn verwant, schrijft Ida nu, wij zijn, u met “uw zwarte mantel aan”, tezamen door “de witte sneeuw gegaan.”

Geschonden aarde

Wij leven in een geschonden wereld, waar ons zoveel wordt aangedaan, vooral de kinderen. “Bezie de kinderen niet te klein”, schrijft Ida Gerhardt, de lerares, “zij moeten veel verdragen/ eenzaamheid, angsten, groeienspijn,/ en, onverhoeds, de slagen.”

advertentie

In Kerstnacht, een van haar vroege gedichten, sneeuwt het “op uw geschonden aarde”, is het “weerloos stil”, en is er het verlangen “naar het helder zingen in de nacht en het opgaan van de ster, een lichtend teken”. Ik moet het weerloze “uit mensenhanden” bevrijden, de wereld van het kwaad ontdoen. Uiteindelijk ziet Ida haar moeder “nieuw” en van haar “donkerte” ontdaan, “lieflijk van ogen en van mond”.

Eerbiedig en geduldig wachten zijn sleutelwoorden in het werk van Ida Gerhardt. Ik ben een tuinman, zegt zij, ik buig mij neer, ik richt mij op, ik zie het zaad in de donkere aarde, “en het zal groen ontwaken”.

Wonder van het bestaan

Ida Gerhardt is de dichter van de stilte, van het aandachtig stilstaan bij de dingen, bij het wonder van het bestaan, bij het buitengewone dat zich in het gewone openbaart, als je het maar wilt zien. Zo kom je op adem en vind je de eenvoud van het bestaan terug, tegen de veelvoud in van al die woorden in onze praatprogramma’s, met die veelvoud van onderwerpen, het snelle spreken, het door elkaar heen praten, tegen de veelvoud in van de berichten op onze sociale media, met hun constante prikkels, zo kom je tot rust bij de gejaagdheid van ons bestaan.

‘Over God spreekt Gerhardt altijd discreet, met een zachte stem. God is ver én dichtbij, wonder, geheim’

Het wonder kan daar ineens zijn, onverwacht, als een openbaring, een genade, niet altijd “bovennatuurlijk”, “spectaculair”, maar soms heel “gewoon”, en toch van een heel andere orde, als je maar wilt zien met “andere ogen”. In het Johannesevangelie spreekt Jezus tegen de zoekende leerlingen (“Meester, waar verblijft U”) een bevrijdend woord: “Kom en je zult zien.” Als de twijfelende, sceptische Natanaël zich uiteindelijk aan Jezus gewonnen geeft, zegt Jezus tegen hem: “Gij zult grotere dingen zien dan deze.”

Denken met je hart

Over God spreekt Gerhardt altijd discreet, met een zachte stem. God is ver én dichtbij, wonder, geheim. Nu ik oud geworden ben, zegt ze, draag ik “een eerst vermoeden van uw majesteit”. Het leven is een wonder, het leven is heilig. Fel klaagt zij, een enkele keer, abortusartsen aan. “Gij die met gemaskerd gelaat/ het kind uit het moederlijf sneed – het heeft nog éven geleefd –/ … ik heb u gezien: pal daarna;/ in uw pak met visgraatmotief,/ gebieder van de kliniek,/ dalend van het bordes/ als waart ge God zelf”.

God is op deze aarde altijd aanwezig, veel meer dan we denken, dan we zien. Je moet ook denken met je hart, zien met verwijde ogen. Dat weet de dichter. “Ik zag een kalfje bij de moeder drinken”, schrijft Ida, “wazig in nevelen, nog haast verborgen.” Het buitengewone is in het gewone verborgen, het moet worden bevrijd, opgetild.

Onmogelijke liefde

“Het licht begint te wandelen door het huis/ en raakt de dingen aan.” Zo schrijft de dichter in Zondagmorgen, waar wij ons vroege brood eten, “gedoopt in zon”, waar “het witte kleed” is gespreid en onze handpalm “geopend naar het licht”. Er is licht, achter en na het donker, er is bevrijding en verlossing, “een opengaan van vergezichten”. Eens zal alles worden verzoend, na de breuk, de scheiding, de strijd, het misverstand, en alles zal licht worden en met de witste en zuiverste sneeuw worden bedekt.

In het gedicht In Memoriam herdenkt Ida Gerhard de dichter J.H. Leopold, ooit haar leraar klassieke talen in Rotterdam. Ida was hevig verliefd, in een onmogelijke liefde. Leopold was de mens “die mij werd weggenomen”. Toch is hij zó nabij, “als nadert een ontmoeten/ in deze sneeuwen laan, –/ ik zie het spoor der voeten/ waar wij tezamen gaan”.

Over donker en licht

Het werk van Ida Gerhardt gaat over donker en licht, over stilte, over wachten en geduld, om een “uiteindelijke verheldering van ogen/ voordat het donker van de nacht gaat vallen”. In Psalm 139 (“God die mij kent”) mag het duister mij omsluiten, vertaalt Ida Gerhardt, maar voor God is er geen duister, “lichtend is de nacht als de dag, de duisternis is gelijk licht”.

Het gedicht Genesis, over de ouderdom, gaat over licht, bevrijding, over herschapen worden:

…Het is een opengaan van vergezichten,

een bijna van gehavendheid genezen;

een aan de rand der tijdloosheid wezen,

Of in de avond gij de zee ziet lichten.

 

Het is, allengs, een onomstotelijk weten

dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen

wanneer men van u schrijven zal: “ontslapen”,

 wanneer uw naam op aarde is vergeten.

Dit artikel delen: