
Frankenstein, hét klassieke verhaal over de mens die voor God speelt, is opnieuw verfilmd door regisseur Guillermo Del Toro. Wilde de auteur van het origineel, Mary Shelley, echt waarschuwen voor onbeheersbare wetenschap, of was het haar om iets anders te doen?
Kunnen mensen als een God nieuw leven scheppen uit dode materie, zonder daarmee automatisch monsters te scheppen? In dit tijdperk van kunstmatige intelligentie is het een al te relevante vraag. Het maakt de nieuwe verfilming van Mary Shelley’s Frankenstein, hoe klassiek ook van insteek en vormgeving, zeer eigentijds.
Voor onze tijd relevant is tevens het antwoord dat de film biedt, of misschien beter gezegd; de tegenvraag die de film stelt: wie is er eigenlijk precies het monster – het mismaakte schepsel dat er ook niet om vroeg om geschapen te worden, of juist de hoogmoedige, hemelbestormende schepper, die met moderne wetenschap en technologie God van zijn troon denkt te kunnen stoten?
Het zal niet verbazen dat regisseur Guillermo Del Toro voor die laatste kiest, tot op zekere hoogte in lijn met de oorspronkelijke roman uit 1818. Sowieso is Del Toro trouwer aan de roman dan de meeste eerdere verfilmingen (inclusief de iconische versie met Boris Karloff uit 1931); de raamvertelling die Shelley ervan maakte blijft in grote lijnen intact, al permitteert ook deze film zich vrijheden met het verhaal en de personages.
Waar Del Toro juist dichter bij andere verfilmingen blijft dan bij de oorspronkelijke roman, is niet in de laatste plaats bij de personage van Victor Frankenstein zelf.
Die is ook in deze film een archetypische krankzinnige wetenschapper die geen grip heeft op wat hij creëert, en uiteindelijk zelfs de grip op de werkelijkheid verliest.
Toch is het maar de vraag of Mary Shelley (1797-1851) als een soort profeet kan worden gezien die wilde waarschuwen voor wetenschappelijke ‘monsters’, zoals vervuilende technologieën, dubieuze AI-toepassingen of de atoombom. Ze was pas negentien toen ze dit werk bedacht, naar verluidt na een gezellig avondje griezelverhalen vertellen met de beroemde Lord Byron en met haar man, de dichter Percy Shelley.
Niet dat Frankenstein God speelt is het centrale probleem voor Mary Shelley, maar wat voor God hij speelt
De moderne wetenschap stond in die tijd nog in de kinderschoenen, en zij en haar literaire vrienden volgden het eerder belangstellend dan argwanend. In de oorspronkelijke ondertitel van haar boek, A Modern Prometheus, naar de Griekse held die het vuur stal van de goden, kun je ook een zekere waardering lezen voor de ambitie van Victor Frankenstein.
Haar Frankenstein mocht erin slagen om aan God gelijk te worden door menselijk leven te scheppen. Haar eigenlijke punt schuilde eerder in wat er daarna gebeurde: net zoals de mens zich tegen God ging verzetten, zou ook dit schepsel zich tegen Frankenstein keren omdat die hem aan zijn lot had overgelaten.
Niet dat Frankenstein God speelt is het centrale probleem, maar wat voor God hij speelt; een onverschillige, deïstische God die zich niet echt bekommert om zijn schepselen.
Haar belangrijkste literaire invloed putte zij daarvoor uit het epische dichtwerk Paradise Lost van John Milton.

Op het titelblad van de eerste uitgave stond een veelzeggend citaat daaruit, dat verderop ook bijna woordelijk door het monster herhaald zou worden: “Heb ik U, Schepper, uit mijn klei / Gevraagd om mij tot een mens te vormen?” Woorden van Adam, de eerste mens, die tegenover God zijn gevallen toestand beklaagt, nadat hij verleid is door de duivel.
Ook Del Toro’s film pikt deze verwijzing naar Paradise Lost op, maar er zitten een paar subtiele, maar betekenisvolle accentverschuivingen in ten opzichte van de roman.
Allereerst waar het boek expliciet opduikt. Nadat het schepsel ontsnapt uit het laboratorium, houdt het zich schuil in een huis waar een familie woont. Daar leert hij lezen; in Shelley’s roman worden drie boeken expliciet genoemd: bovenal Miltons Paradise Lost en verder Goethes Werther en Plutarchus’ Biografieën. Hij wordt er klassiek-verlicht geschoold, met ideeën over de verraderlijke menselijke natuur, over vervreemding en godverlatenheid.
In de film leest hij óók Paradise Lost, maar pas als laatste. Grappig genoeg leest hij daarnaast Ozymandias, het beroemdste gedicht van Mary Shelley’s man Percy, dat in 1818 precies tien dagen na Frankenstein verscheen. En dat, zeer toepasselijk, gaat over de vergankelijkheid van alle menselijke ambities.

Maar het eerste en belangrijkste boek dat het monster in de film leest, is nota bene de Bijbel. Het monster van Del Toro wordt veel christelijker gevormd dan het monster van Shelley.
Dat werkt door in zijn zelfbesef – hij is ten diepste goedwillend en tot vergeving in staat – en daarin zit een tweede subtiele maar belangrijke verschuiving. In de roman is het het monster dat zichzelf herkent in Miltons Satan, de aanklager, de gevallen engel. In de film is het juist Frankenstein die dat doet.
![]() | Lees ookDe correspondentie van de duivel |
Als kind zien we Victor nog bidden tot het beeld van een aartsengel – wellicht Uriël, drager van licht en wijsheid. Maar al snel raakt het beeld vervormd tot een vlammende Lucifer, en wordt er zelfs op gezinspeeld dat Frankenstein à la Faust zijn ziel verkoopt.
Je verwacht het misschien niet van een filmmaker die zichzelf als ex-katholieke agnost beschrijft, en die eerder duistere sprookjes als Pan’s Labyrinth en The Shape of Water maakte, maar Del Toro maakte van Frankenstein een christelijker verhaal dan het origineel. Met een diepere kritiek ook op het wetenschappelijk materialisme dat de mens tot een verzameling losse lichaamsdelen reduceert.
Te zien op Netflix en in de bioscoop.
Er zijn geen artikelen gevonden