
De nieuwe paus wordt niet alleen de leider van alle katholieken wereldwijd, maar ook van de Romeinse Curie. Naast een herder moet hij dus ook een vaardige bestuurder zijn, want de Curie heeft ontzettend veel invloed op de katholieke Kerk.
“De Romeinse Curie zou je het bestuursapparaat van de regering van de paus kunnen noemen”, vertelt Ad van der Helm, hoofddocent kerkelijk recht aan de KU Leuven. “Alles waarover de paus beslissingen heeft genomen of wetten heeft uitgevaardigd, past de Curie toe. Die maakt dat ook concreet met verdere maatregelen.” Dat doen de zestien dicasteries.
De Curie richt zich daarbij alleen op kerkelijke zaken: het bestuur van Vaticaanstad als land staat er los van. “De Curie is ook veel afhankelijker van de paus dan een gewone regering”, voegt Van der Helm toe. “De paus benoemt iedereen en kan ook iedereen ontslaan.”
De Romeinse Curie bestaat al sinds 1588. “Het is een enorm oud apparaat met een grote continuïteit”, legt Van der Helm uit. “Pausen komen en gaan, maar de curiekardinalen bleven – zeker vóór Franciscus – heel lang zitten. De Curie bezit een enorm geheugen en heeft veel wereldwijde ervaring.”
Voor pausen die voor hun pontificaat weinig contact met de Curie hadden, kon het daardoor moeilijk zijn om met het apparaat om te gaan. Dat leverde nogal eens spanning op: van Johannes Paulus II, een echte buitenstaander, werd wel eens gezegd dat hij zo vaak op reis was om zo min mogelijk met de Curie om te hoeven gaan.
“Paus Benedictus XVI zat er juist heel dicht op en had in zijn verleden al met veel mensen uit de Curie samengewerkt.” Maar dat was ook niet altijd een voordeel, weet Van der Helm: “Dan is het niet altijd even makkelijk om veranderingen door te voeren, omdat het gaat om mensen met wie je hebt gewerkt.”
Franciscus was dan weer een buitenstaander, die voor een “nieuwe dynamiek” zorgde. “Hij heeft dat verstandig aangepakt. Soms ging hij voorzichtig te werk, maar hij schrok er ook niet voor terug om soms flink door te pakken. Hij heeft een aantal keren flink autoritair opgetreden.”
In zijn twaalf jaar als paus heeft Franciscus grote veranderingen in de Curie teweeggebracht. Het hervormen van het bestuursapparaat was ook vanaf zijn aantreden een van de speerpunten van zijn pontificaat.
Pausen komen en gaan, maar de curiekardinalen bleven – zeker vóór Franciscus – heel lang zitten.
Volgens Van der Helm is dat ook iets waardoor hij bij het conclaaf van 2013 als pauskandidaat in de kijker kwam. “Hij maakte met zijn pleidooi voor hervorming grote indruk tijdens de vergaderingen van de kardinalen voorafgaand aan het conclaaf. Een aantal kardinalen waren erg gecharmeerd van zijn verlangen naar verandering.”
Toch was paus Franciscus zeker geen “unieke stem” als het ging om de roep tot hervormingen. “We weten niet welke dossiers Benedictus aan Franciscus heeft overgedragen, maar daar waren waarschijnlijk ook stukken over de Curie bij. Het probleem van het financiële mismanagement was al onder Benedictus XVI naar boven gekomen.”
Paus Franciscus wilde snel hervormingen doorvoeren, maar Van der Helm denkt dat het hem tegenviel hoe vlot dat ging. “De Curie was een enorm gesloten bolwerk, dat muurvast zat. Het was heel klerikaal, echt een wereld op zich.” Tekenend daarvoor is dat pas in 2022, Franciscus’ negende jaar als paus, zijn hervormende document Praedicate Evangelium verscheen.
De problemen waren dan ook tweeledig: die zaten niet alleen in de structuur van het instituut, maar ook in de mentaliteit van de mensen. “Paus Franciscus voelde goed aan dat je geen wijzigingen in de Kerk kan verwezenlijken als de mensen hun mentaliteit niet veranderen. Het heeft daarom lang geduurd, maar daardoor zal het hopelijk wel effect hebben.”
‘Veel meer naar buiten treden’
Dat resulteerde dus onder meer in de apostolische constitutie – een vorm van pauselijke wetgeving – Praedicate Evangelium. Waar paus Johannes Paulus II in zijn eigen apostolische constitutie Pastor Bonus uit 1988 gemeenschap (communio) als kernwaarde nam, was dat voor Franciscus evangelisatie, “in de zin van veel meer naar buiten treden”.
Zo maakte de paus het Dicasterie voor de Evangelisatie het belangrijkste orgaan, met hemzelf als prefect. Daarnaast werd de communicatie gestroomlijnd: alle organisaties die zich met communicatie bezighouden werden in één secretariaat samen gebracht.
Ook beperkte hij de benoemingstermijn voor curieleden tot maximaal twee keer vijf jaar en bepaalde hij dat de prefect van een dicasterie niet perse een bisschop moet zijn. Zo kwamen vrouwen voor het eerst in aanmerking voor die positie; in maart werd zuster Simone Brambilla de eerste vrouwelijke prefect binnen de Curie.
Welke erfenis Franciscus op dit vlak aan zijn opvolger nalaat, vindt Van der Helm nu nog lastig te zeggen. Hoe de Curie omgaat met de hogere doorloop van leden, hoe de verschillende dicasteries gaan samenwerken en hoe de Curie synodaal te werk gaat: dat moet de toekomst uitwijzen.
Wel denkt hij dat het goed zou zijn als de paus die Franciscus opvolgt wat dichter bij de Curie staat. Iemand die vertrouwd is met de manier van werken, zal verborgen belemmeringen sneller herkennen en ermee om kunnen gaan. “Het komt er heel erg op aan dat de paus op een goede manier kan communiceren met het apparaat. Een paus die de Curie op een goede manier in beweging kan brengen, dat is wel hard nodig.”
Er zijn geen artikelen gevonden