Redacteur Nieuwe Media

Historica Lianne van Beek promoveerde op een studie naar miraculeuze middeleeuwse Mariabeelden. Hoewel zelf niet gelovig, werd ze toch geraakt door eeuwenoude verhalen van mensen die in nood Maria aanriepen en door de volksdevotie die tot op de dag van vandaag voortleeft.
Het is een woensdagmiddag als Lianne van Beek (42) een kaarsje aansteekt bij de Zoete Moeder in de Bossche Sint-Jan. Niet omdat ze bidt, zegt ze zelf – ze is opgegroeid in een “links-atheïstisch milieu” – maar ze vindt het een mooi ritueel. Een moment van stilstaan. En terwijl ze naar het oude, houten beeld kijkt, vraagt ze zich af hoe het er in de veertiende eeuw moet hebben uitgezien, toen pelgrims van heinde en verre ernaartoe kwamen om wonderen af te smeken.
Van Beek is historica, gespecialiseerd in de middeleeuwse geschiedenis, en promoveerde recentelijk aan de Rijksuniversiteit Groningen op haar proefschrift Leven met Maria. Het onderzoek analyseert de opkomst en ontwikkeling van wonderdoende Mariabeelden in drie steden: ’s-Hertogenbosch, Amersfoort en het Vlaamse Scheut. “Wat ik zo mooi vind aan mirakelverhalen is dat je er het gewone dagelijkse leven in ziet”, vertelt ze.
Dit artikel is niet gevonden
“We hebben maar heel weinig middeleeuwse bronnen die zo dicht bij de gewone mens en diens belevenissen komen. Zoals een kind dat vermist is geraakt, een heel dorp in paniek, en uiteindelijk vinden ze het kind terug: het zit in zijn luier vrolijk in de modder te spelen. Die tastbaarheid, die alledaagse menselijkheid, vind ik nergens anders terug.”
Aanvankelijk onderzocht ze, zoals haar man het gekscherend noemt, “lelijke Mariabeelden”. Twee zinnen uit een artikel van erfgoedhistoricus Gerrit Verhoeven, die veel over devoties in Delft publiceerde, spraken haar direct aan.
Verhoeven stelde dat in steden als Den Bosch, Amersfoort en waarschijnlijk Antwerpen Mariabeeldjes opdoken die populair waren bij de minder welgestelde bevolking, als reactie op een elitaire devotie. In Den Bosch had de broederschap van de Zwanenbroeders een eigen Mariabeeld in de Sint-Jan, maar dat was alleen voor leden.
Verhoeven suggereerde dat gewone mensen misschien een eigen, toegankelijk Mariabeeld wilden. “Maar dat blijkt niet te kloppen”, zegt Van Beek. “De broederschap heeft het volksdevotionele Mariabeeld altijd juist heel erg gesteund. Wat je over het algemeen ziet, is dat de grote devoties voor wonderdoende Mariabeelden veel breder gedragen werden dan voorheen gedacht. Van hoog tot laag nam iedereen eraan deel.”
Dat directe inkijkje in de middeleeuwse samenleving werd haar drijfveer. “Bij Mariadevotie komt werkelijk alles samen: religie, maar ook sociologie, economie en politiek. En dan heb je ook nog dat persoonlijke stukje, dat die mensen op sommige momenten echt mensen worden, in een periode waarbij je dat maar zelden hebt.”
Van Beek noemt middeleeuwse Mariadevotie in haar boek “geniale marketing”. Dat klinkt een beetje cynisch, alsof het een verkooptruc van de Kerk was. “Ik snap die reactie, maar het was zeker marketing, en er zaten mensen achter die goed wisten wat ze deden, zeker in ’s-Hertogenbosch.” Maar het idee dat de middeleeuwse Kerk zwom in het geld ten koste van de armen, dat verdient nuancering.
‘Er zijn voorbeelden van beelden die onherstelbaar beschadigd raakten, waarna er een nieuw exemplaar kwam. Dan ging de verering gewoon door’
“Structureel misbruik was echt niet aan de orde van de dag. Ik ben het ook niet tegengekomen in mijn eigen onderzoek. Kerken zijn mede gebouwd met geld dat uit die devotie voortkwam, dat is zeker, maar het vertrekpunt in de middeleeuwen was altijd oprechte devotie. Net zoals water uit Lourdes deels marketing is, doet dat niets af aan het geloof en de liefde waarmee mensen het associëren. Altijd vanuit een oprecht verlangen om het geloof te bevorderen. Die twee houden elkaar in evenwicht.”
In haar boek onderscheidt Van Beek vier fasen in de ontwikkeling van Mariabeeldendevotie, maar in de praktijk verliep dat model niet zo strikt. “Soms gaat het zo snel dat de eerste fasen aan elkaar geregen worden. Het volk vond het geweldig als een beeld wonderen verrichtte. Binnen enkele maanden kon er een toestroom zijn van duizenden mensen. Het wekte enorme geestdrift op, en iedereen wilde het meemaken.”
Deze pagina is niet gevonden
Mensen waren bereid om alles te laten vallen en op reis te gaan, wat niet strookt met het klassieke beeld van de thuisblijvende middeleeuwer. Die reizen waren bijzonder gemeenschappelijk: iedereen ging op bedevaart, ook families, buren en vrienden.
In het Bossche mirakelboek wordt het alom bekende Mariabeeld aangeduid als “het verworpen beeld”, een verguisd beeld. “Er was ooit een hoeder van het beeld die zei dat het wel een likje verf kon gebruiken, maar de bewaarder zei dat er geen geld voor was. Dus was er iemand die aanbood het op te knappen, met gele verf op haar gezicht. Daarna tekende iemand anders er met houtskool weer ogen op.” Volgens de middeleeuwers zelf werd het na verloop van tijd zo lelijk dat het eigenlijk niet meer te doen was.
Dit artikel is niet gevonden
Maar toen begon de Zoete Moeder wonderen te doen en werd het beeld weer opgeknapt. “Ik denk niet dat iemand nu nog zegt dat het een ‘heerlijk lelijk’ beeld is. Je ziet ook dat het kwalitatief goed houtsnijwerk is. Maar tot in de twintigste eeuw is dat idee van lelijkheid wel blijven hangen. Er zijn kunsthistorici die spraken van een ‘wezenloos glimlachje’. Ik vind dat ze gewoon een lief gezichtje heeft.”
De geschiedenis over de miraculeuze Mariabeelden is in Amersfoort en Den Bosch goed gedocumenteerd, met veel archiefmateriaal. Voor de derde casus wilde Van Beek eigenlijk Onze Lieve Vrouw op het Stokske, een staakmadonna in Antwerpen, onderzoeken. Het Antwerpse kerkarchief was echter nauwelijks onderzocht, wat het onderzoek te tijdrovend maakte.
“Maar Scheut had ook ooit een relatief onbekende Maria en een klooster dat ruim een eeuw bestond voordat het door oorlogshandelingen werd verlaten. Toch moet het een van de mooiste kloosters van de Lage Landen zijn geweest.” Een beeldje in een kerk in Anderlecht wordt als het origineel beschouwd, maar de overlevering is onzeker. Het hangt hoog aan de muur in een rommelige zijkapel en trekt tegenwoordig weinig bezoekers.
De bisschop van Kamerijk, waar Scheut onder viel, was aanvankelijk heel sceptisch na de eerste wonderen van het Mariabeeldje. Dat had te maken met het feit dat het op ongewijde grond stond en op de grens tussen twee parochies. Niemand wist van wie het eigenlijk was. Hij was bang dat mensen iets aan het vereren waren wat die verering niet verdiende.
“Dan kom je al snel in de sfeer van afgoderij: zit hier de duivel achter? Op een bepaald moment wilde hij zelfs, te midden van alle devotie en drukte, met een stel ridders ingrijpen. Maar hij plaatste het beeldje in een kerk, juist om te voorkomen dat er iets werd vereerd wat het niet verdiende. Hij had ook kunnen zeggen dat er geld mee te verdienen viel. Dat deed hij niet.” Daarna kwamen er meer onderzoekscommissies rondom wonderdoende Mariabeelden in de Lage Landen.
Dit artikel is niet gevonden
“Ze moesten een soort stempel krijgen: dit is authentiek, we hebben ernaar gekeken, het is veilig om hier je gebeden op te richten. Maar de grondgedachte, dat je goed moet oppassen dat er niet iets wordt vereerd dat het niet waardig is, was er zeker. Die is er nog steeds, al hebben we nu natuurlijk veel meer manieren om uit te sluiten of iets een echt wonder is. Daardoor wordt het ook steeds moeilijker om wonderen officieel erkend te krijgen.”
En dan het Amersfoortse Mariabeeldje: is dat verloren gegaan tijdens de Reformatie? “Grotendeels wel”, aldus Van Beek. “De stad werd protestants, maar de omgang ging nog lang door en werd ook gedoogd. Uiteindelijk hield het vanzelf op. Andere kerkgenootschappen werden prominenter.” Het beeld zelf is ondergedoken geweest in het huis een katholieke familie.
Uiteindelijk is het teruggekomen in een kerk, maar wat er nog van over is, zijn kruimels, een manteltje, een kroontje en een schilderij. “Het beeldje was van pijpaarde, gebakken in een mal. Pijpaarde kan heel kwetsbaar zijn. Het is meestal niet bedoeld om eeuwen bewaard te blijven. Bij temperatuurwisselingen en vocht brokkelt het langzaam af.”
Maar wat betekende zo’n verlies voor een gemeenschap? “Er zijn voorbeelden van beelden die tijdens een brand onherstelbaar beschadigd raakten, waarna er een nieuw exemplaar voor in de plaats kwam. Dan ging de verering gewoon door.” Blijkbaar kon dat omdat het beeld symbool stond voor Maria en haar krachten. “Middeleeuwers hechtten ook veel minder aan een ‘origineel’. Er was een heel andere manier van fysiek omgaan met die beelden.”
‘Het vereren van een Mariabeeld was een gezamenlijk doel van alle stadsbewoners, iets waar ze trots op waren’
Het Bossche Mariabeeld kreeg op een gegeven moment in de geschiedenis mantels omgehangen en werd bijgesneden zodat de mantel beter paste. “Wij kunnen ons dat niet voorstellen, dat je bijvoorbeeld zomaar even het ‘kapseltje’ aanpast. Maar in de middeleeuwen was dat gewoon geen punt. Ze schilderden bijvoorbeeld het beeld over en zetten er de wapenschilden van de toenmalige machthebbers op.”
Het verraste Van Beek in haar onderzoek hoe verschrikkelijk hecht de stedelijke samenlevingen waren, en hoeveel meer harmonie er onderling was dan verwacht. Zeker in ’s-Hertogenbosch. “Het vereren van het Mariabeeld was een gezamenlijk doel van alle stadsbewoners, iets waar ze trots op waren en wat ze wilden uitdragen. Een echte verbindende factor. In historisch onderzoek lag de nadruk vroeger al snel op conflicten: als er één archiefstuk is over een ruzie, wordt dat je invalshoek.
Maar dat conflict was er veel minder dan ik had gedacht. Uiteindelijk waren het gewoon mensen die het samen probeerden te rooien.” En hoe is het dan om te spreken met mensen die nog steeds oprecht geloven dat een beeld wonderen verricht? Zijn er nog parallellen met de middeleeuwen? “Zij staan in een eeuwenlange traditie”, antwoordt Van Beek.
“Ik kom van boven de rivieren, en het katholicisme heeft, totdat ik dit onderzoek ging doen, een minimale rol gespeeld in mijn leven. Toen ik in Den Bosch in het archief ging werken, had ik een collega die zeer Mariadevoot was. Als iemand iets niet kon vinden in het archief, zei ze: ‘Ik steek even een kaarsje voor je op, dan kijken we of dat helpt.’ Ik vind het prachtig dat het nog steeds leeft.”
Deze pagina is niet gevonden
Elke processie vindt Van Beek ontroerend: een teken van gemeenschapszin, van samen iets uitdragen. Ook vindt ze het dapper. “Als je op een zondagmiddag tussen het winkelend publiek in Den Bosch in middeleeuws tenue meeloopt in een processie, moet je daar echt voor staan. In de middeleeuwen hoefde dat niet, nu is het een bewust statement: wij vinden dit belangrijk.
Ik vind het altijd mooi als dan de vlaggen uithangen en er bloemen langs de route liggen. Ik heb ook in Bolsward meegemaakt dat ze een aantal jaar geleden voor het eerst een langere processie organiseerden met een heel andere traditie en voorgeschiedenis. Wat ik zo mooi vond, was dat alle protestantse kerken langs de route ook hun deuren hadden geopend, met koren die zongen. Dat is toch prachtig?”

Lianne van Beek, Leven met Maria
Uitgeverij: Sidestone Press
Pagina’s: 284 | € 35
Er zijn geen artikelen gevonden