

De Amsterdamse familie Testa heeft eeuwenlang voor twee belangrijke relieken gezorgd. Mehmet Tütüncü heeft die bewogen geschiedenis in een boek uitgeplozen. Daarbij zijn ook de werelden van de islam en het christendom dichter bij elkaar gekomen.
Eeuwenlang had de familie Testa twee relikwieën in bezit: een doorn uit Christus’ doornenkroon en een splinter van het kruis waaraan Jezus gekruisigd is. Op zondag 30 maart zijn ze overgebracht naar de co-kathedrale basiliek van Sint-Nicolaas in Amsterdam.
De familie vroeg Mehmet Tütüncü de geschiedenis van de relieken na te gaan. De Testa’s wisten vooral van horen zeggen dat hun familie én de relieken uit Turkije afkomstig waren, aldus Tütüncü. Ze hadden documenten in het Turks, maar niemand in de familie beheerste die taal meer.
Tütüncü is een specialist op het gebied van de relaties tussen Nederland en Turkije. Zijn vader kwam in de jaren zestig als gastarbeider van Turkije naar Nederland. In 1972 volgde zijn gezin. Mehmet ging werken voor de Nederlandse overheid – hij was onder meer inspecteur van belastingen. Nu hij met pensioen is, besteedt hij zijn tijd aan onderzoek naar de betrekkingen tussen Nederland en Turkije.
Die betrekkingen zijn al heel oud, zo vertelt hij. Turkije was in 1612 het eerste land dat de Republiek erkende. De Nederlanders mochten handel drijven in het hele Ottomaanse keizerrijk, zoals Turkije toen genoemd werd.
Dat strekte zich toen uit rond de Middellandse Zee, van de Balkan via het huidige Turkije en grote delen van het Midden-Oosten tot en met Noord-Afrika. “De eerste Nederlandse ambassade staat in Istanbul”, aldus Tütüncü. En daar ligt een verbinding met de familie Testa.
In 1260 vestigden de Testa’s zich vanuit Genua in Constantinopel, zoals Istanbul toen heette. Ze dreven handel vanuit de wijk Galata. Dat was een Genuese kolonie, een soort stad in de stad, vertelt Tütüncü.
Dat bleef zo toen de Turken de stad in 1453 veroverden en Constantinopel de hoofdstad werd van het Ottomaanse Rijk. De Genuezen vroegen de sultan of ze in de stad mochten blijven wonen. De sultan stemde toe en garandeerde dat ze hun handel mochten voortzetten en dat hun kerken open bleven.
Tütüncü laat een foto zien van het prachtig gekalligrafeerde document waarin de sultan dit vastlegde. “Het is een van de mooiste documenten en heel belangrijk voor de islam en voor het christendom. Vooral dit is een hele mooie passage: ‘Ik zal ze beschermen net als mijn andere onderdanen, hun kerken zullen in hun handen blijven, ze zullen zingen volgens hun rituelen, maar ze zullen geen klokken luiden. Ik zal hun kerken niet in moskeeën veranderen, maar ze zullen ook geen nieuwe kerken maken.’”
Jezus en Maria zijn ook voor de moslims heiligen.
“Het is een heel belangrijk document waarin de godsdienstvrijheid op papier wordt gezet in een tijd waarin in Europa nog zo’n beetje de middeleeuwen heersten.” Die tolerantie bestond niet alleen op papier: eenmaal per jaar werden de relikwieën in een processie door Istanbul gedragen. De moslims zagen dat met veel respect aan en applaudisseerden als de processie voorbijkwam.
De Byzantijnen hadden eeuwen eerder de relieken vanuit het Heilig Land overgebracht naar Constantinopel, destijds hun hoofdstad. Onder die relieken bevonden zich de doornenkroon van Jezus en een splinter van het kruis. In 1204 werd de stad geplunderd door kruisvaarders die op weg waren naar Jeruzalem.
“Veel kostbaarheden zijn toen naar Venetië gegaan”, vertelt Tütüncü. “De San Marco staat er vol van. Koning Lodewijk IX van Frankrijk kocht de doornenkroon en die bevindt zich nog steeds in de Notre-Dame in Parijs. Gelukkig hebben ze die tijdens de brand van 2019 kunnen redden.” Enkele doornen uit de kroon en het fragment van het kruis bleven in verschillende kerken in Constantinopel bewaard.
François Testa wist in 1660 de relikwieën te redden toen de kerk waar ze werden bewaard afbrandde. De paus besloot daarom dat de familie Testa voortaan de eigenaar zou zijn. Die familie had inmiddels een prestigieuze functie: die van dragoman. Dat was een tolk die buitenlandse diplomaten in Istanbul bijstond.
Zo kwam de familie in dienst van de Nederlandse ambassadeurs. Verschillende familieleden reisden naar Nederland. Een van hen werd zelfs onderdeel van de Nederlandse literatuurgeschiedenis, weet Tütüncü. “Antoine Testa ging in 1827 naar Nederland om Nederlands te leren aan de Latijnse school in Haarlem. De schrijver Nicolaas Beets was een van zijn medeleerlingen. In zijn Camera obscura beschrijft hij zijn vriendschap met Antoine.”
Karl Victor Testa, die toen in Amsterdam woonde, liet de relikwieën in 1935 naar Nederland overbrengen. “Dat is een bijzonder verhaal. De katholieke minister van Defensie, Laurent Deckers, liet de relikwieën met een oorlogsschip naar Nederland brengen.”
Tütüncü laat een brief zien die de minister schreef aan Karl Testa. “Het is mij een genoegen u te kunnen mededelen dat de Heilige Doorn thans in mijn bezit is. Ik wil u de kostbare schat gaarne ter hand stellen.”
En zo gebeurde het: de minister bracht de relikwieën van het oorlogsschip naar het huis van Testa. Ze werden in bruikleen gegeven aan de Sint-Agneskerk in Amsterdam, de parochiekerk van Testa. Tenslotte vond in maart 2025 de overdracht plaats aan de Nicolaaskathedraal.
“Zo heb ik dus als moslim beschreven hoe een belangrijk christelijk erfgoedstuk van Istanbul naar Amsterdam is gekomen”, zegt Tütüncü. De familie Testa was blij verrast met het resultaat. “Ze hadden niet zo’n bloemrijke en rijke geschiedenis verwacht. Voor mij was het een heel leerzaam proces”, zegt Tütüncü over zijn onderzoek.

Ook omdat hij zich als moslim in het katholicisme verdiepte. “Vanmiddag spreek ik weer met André Testa en andere leden van het Heilige Kerstmisgilde. We discussiëren regelmatig over de overeenkomsten en de verschillen tussen de religies. Ik heb ook een goede relatie met bisschop Hendriks, ik kan hem bijna een vriend noemen.”
Als het gaat om relikwieën zijn er overeenkomsten; ook de islam kent ze. “Heel beroemd is de tand van de profeet Mohammed die in het Topkapı-paleis in Istanbul wordt bewaard. In de moslimgemeenschap zijn er die zeggen dat je die voorwerpen niet moet verheerlijken. Eigenlijk net zoals de protestanten. Maar er zijn er ook die er kracht uit putten.”
Jezus is voor de moslims een belangrijke profeet, benadrukt Tütüncü. Hij wordt ook beschreven in de Koran, net als bijvoorbeeld Johannes de Doper en de profeten uit het Oude Testament. “De Koran noemt de islam een voortzetting van de enige ware religie die God op aarde heeft geschapen. Jezus en Maria zijn ook voor de moslims heiligen.”
“Ik ben zelf heel erg onder de indruk gekomen van de manier waarop Maria in de Koran wordt beschreven. Zij is de enige vrouw aan wie een heel hoofdstuk is gewijd. Ik heb dat ook aan kardinaal Pietro Parolin gezegd.” De kardinaal bezocht op 25 mei Amsterdam en droeg een Mis op in de Nicolaaskathedraal.
Tütüncü bood hem bij die gelegenheid een gekalligrafeerd vers aan uit dat hoofdstuk over Maria. “Daarin staat: ‘De Zoon van Maria, Jezus, is een manifest van God op aarde.’ Dat wil zeggen dat Hij een onderdeel is van God. In de islam kennen wij dat ook.”
“Een soefi-traditie zegt dat alles op aarde, alle planten, dieren en mensen een onderdeel zijn van God. Een soort ecologische benadering. Dat noemen ze ‘de eenheid van het lichaam’. Met dat lichaam wordt God bedoeld. Dat vond ik een mooi vers om te geven en kardinaal Parolin heeft het gewaardeerd: het was een mooie ontmoeting.”
|
|
Er zijn geen artikelen gevonden