Redacteur Nieuwe Media

In haar nieuwe roman Waar wil je liggen? schrijft Vonne van der Meer met humor en lichtheid over de dood, herinneringen en de vraag hoe goed mensen elkaar eigenlijk kennen. “Er gebeurt iets als je schrijft wat niet gebeurt als je praat of herinneringen ophaalt. Het lijkt meer op bidden, maar dan zonder de tekst van het Onzevader of het Weesgegroet.”
Waar wil je liggen? begint met een leeg bed ergens in de jaren zestig. Vera Schutter is dertien, haar oudere zus Brigitte zeventien. Op een ochtend blijkt Brigittes bed onbeslapen. Terwijl haar ouders in paniek raken, fantaseert Vera al hoe bijzonder en interessant ze zal worden als ‘het meisje met de dode zus’ – jaren voordat die dood werkelijk komt. Een paar uur later duikt Brigitte geschonden en verfomfaaid weer op. Maar het beeld staat er: lang voordat er iemand sterft, oefent Vera al met een onvoorstelbaar verlies.
“Bij dit boek was de aanleiding het overlijden van mijn zusje en de ingewikkelde rouw daaromheen”, vertelt schrijfster Vonne van der Meer (73). “Ik kon geen afscheid nemen, was er niet bij op het moment van haar overlijden.” Wie daaruit opmaakt dat Waar wil je liggen? over rouw gaat, doet het boek tekort.
Dit artikel is niet gevonden
Want hoewel de dood als een rode draad door de roman loopt, is het vaak ook een licht boek, met ruimte voor humor en de kleine, soms absurde momenten van het dagelijks leven. Toch loopt er één beweging door de roman heen: van het vasthouden aan herinneringen naar het toelaten van een aanwezigheid. Een ontdekking die volgens Van der Meer alleen tijdens het schrijven zelf kon ontstaan, niet vooraf bedacht.
Ze vertrouwt haar eigen geheugen namelijk niet zomaar. “Ik ben ook altijd op mijn hoede als vriendinnen zeggen: ‘Jij hebt zo’n goed geheugen.’ Dan zeg ik: ‘Nou, dat valt wel mee hoor. Dit is mijn herinnering, maar ik weet niet of het klopt.’” Schrijven is voor haar dan ook geen kwestie van optekenen wat ze al weet, maar van zoeken naar wat ze nog niet wist.
Deel één van de roman speelt zich af in de Spaanse regio Andalusië, waar Brigitte (dan 73) woont met haar vrouw Maxime. Na de plotselinge dood van Brigitte reist Vera naar Spanje om een rouwrede te schrijven – en houden – voor een handvol familieleden, maar voor de rest voornamelijk vreemden.
Tussen aantekeningen die ze steeds weer herschrijft, ontdekt ze hoe weinig van een mensenleven in tien minuten past. Een jeugdherinnering aan een ruzie over een blokfluit belandt met een vraagteken in de kantlijn en verdwijnt uiteindelijk weer. Een veel donkerder herinnering – hoe Brigitte als tiener door haar aanstaande zwager dronken werd gevoerd en aan een oudere man werd ‘doorgeschoven’ – is al helemaal onuitspreekbaar.
‘Ik heb niet zoveel illusies over hoe goed mensen elkaar kennen’
“Wat je weglaat is vrij snel duidelijk”, zegt Van der Meer. “Wat overblijft, is niet de volledige waarheid over een mens, maar wat zich moeilijk in woorden laat vangen: iemands humor, iemands gevoel voor stijl, iemands hartelijkheid.” Daarachter schuilt een grotere vraag die door de hele roman heen klinkt: wie heeft eigenlijk het recht om een mensenleven te duiden?
Van der Meer heeft weinig op met de belofte van de biografie. “Ik ben zelf helemaal geen groot voorstander van biografieën. Daar zit toch vaak de aanname in dat je iemands leven kunt peilen en doorgronden. Maar wie doorgrondt ons werkelijk?”
Waar hoofdpersoon Vera het meest tegenaan loopt, is dat haar zus is gestorven op een manier die geen gewoon afscheid toelaat. Vanwege een onbekende bacterie mag niemand meer bij het lichaam komen: geen hand op het voorhoofd, geen laatste verzorging, geen wake. In een passage die Van der Meer bewust aan de coronaperiode ontleende, fantaseert Vera hoe ze haar zus zelf zou willen wassen en aankleden, zoals ze dat ooit samen deden bij hun moeder. Het mag niet.
Wat haar teistert, midden in de nacht, is het beeld van haar zus, alleen, in een mortuarium. Op de rand van haar bed probeert Vera een psalm te bidden. Ze jaagt erdoorheen zonder de rust te vinden die ze zoekt. “Maar toch valt ze erop terug,” zegt Van der Meer. “Het is vaak een begin. Het is alsof je even uit je hoofd in die stroom van oude woorden stapt. Daarna komen de eigen woorden of de stilte wel.”
Pas tijdens de crematie breekt Vera’s verzet tegen haar tranen. ‘Genadetranen’ heet dat laatste hoofdstuk dan ook. Een groep onbekende jonge vrouwen strooit zwijgend rozenblaadjes over de kist. Het is een moment dat ook Van der Meer zelf raakt.
“In het eerste deel gaat het over de pijn dat iemand die zo bezig was met stijl, mooie kleren, stoffen en kleuren en die zelf ook schilderde, uiteindelijk zo haveloos in haar kist is gelegd. En dat er dan, door een gebaar van jonge vrouwen, toch ineens weer schoonheid ontstaat in die uitvaartaula. Dat vind ik heel mooi.” De slotzin van dat deel – “Intussen bleven de rozenblaadjes neerdalen op de kist waarin Brigitte lag, maar nu iets minder naakt.” – vat samen wat zo’n ritueel vermag: iets teruggeven, iets herstellen.

Van der Meer herkent uit eigen ervaring hoe onzichtbaar verdriet voor de buitenwereld kan blijven. Kort na de dood van haar eigen moeder riepen twee bouwvakkers op een steiger haar toe dat ze best eens wat vrolijker kon kijken. “Dan denk je: dat had je niet gedurfd als ik een rouwband om had gehad.” Ze citeert de Britse schrijver C.S. Lewis, die schreef: “Niemand heeft mij ooit verteld, dat verdriet hetzelfde gevoel geeft als angst.” Van der Meer: “Mensen kunnen een norse, boze indruk maken terwijl ze verdrietig en misschien zelfs wel bang zijn.”
Terug in Amsterdam, deel twee van het boek, blijkt het verlies van Brigitte niet het enige waarmee Vera moet leren leven. Van der Meer wilde bewust geen boek schrijven dat om één grote gebeurtenis draait. “Mijn ervaring is juist dat in het leven vaak alles tegelijk gebeurt. Ook als je al boven de zeventig bent.”
Dit artikel is niet gevonden
De roman verschuift van het regelen van een afscheid naar het uithouden van de stilte erna. Vera wacht op een droom, een teken, een gevoel dat Brigitte er nog is. Er gebeurt niets. Ondertussen botst haar onzichtbare verdriet op het dagelijks leven: op een zorgbehoevende, dementerende schoonmoeder die letterlijk vraagt: “Verdriet waarover?” en op de zorg voor een volwassen zoon die opnieuw thuis woont. Ze gaat alleen op reis.
In Marokko, deel drie, bezoekt Vera de Romeinse opgravingen van Volubilis. Daar staat ze voor een mozaïek van Orpheus en Eurydice: de mythe waarin Orpheus zijn overleden geliefde uit de onderwereld mag terughalen, op één voorwaarde: hij mag niet omkijken. Uit angst haar kwijt te raken doet hij het toch. Daardoor verliest hij haar voorgoed. Voor Van der Meer raakt die mythe aan iets wezenlijks in haar boek. “Misschien proberen we mensen wel te veel vast te houden in herinneringen, in anekdotes.”
Vera lijkt tot diezelfde conclusie te komen: diezelfde avond schrijft ze haar man Lennart een appje dat ze “Brigitte na haar dood te graag bij zich heeft willen houden” door zich te laven aan herinneringen in plaats van ze te laten komen. Die gedachte klinkt ook door wanneer Vera zich een cultuur herinnert waarin de naam van een overledene het eerste halfjaar niet mag worden uitgesproken.
“Dan denkt ze: misschien was dat niet zomaar, was dat wijsheid.” Dat je iemand de reis naar het andere leven, naar de eeuwigheid, gunt. Niet vergeten, maar ruimte maken voor iets wat zich niet laat afdwingen.
Zulke ontdekkingen kunnen volgens Van der Meer alleen tijdens het schrijven zelf plaatsvinden. “Er gebeurt iets als je schrijft wat niet gebeurt als je praat of herinneringen ophaalt”, zegt ze. “Het lijkt meer op bidden. Bidden, maar dan zonder de tekst van het Onzevader of het Weesgegroet. Wel met die absolute concentratie.” Ze verwijst naar de Franse filosofe Simone Weil en het belang van aandacht. “Schrijven is ook aandacht. Aandacht voor die ene gedachte.”
‘Ik weet niet wat een katholiek schrijver is in deze tijd’
Van der Meer gelooft nauwelijks dat mensen elkaar volledig kunnen kennen, ook niet degenen met wie ze zijn opgegroeid. “Ik heb niet zoveel illusies over hoe goed mensen elkaar kennen. Of hoe goed we onszelf kennen.” Wat overblijft, zoekt ze in een ander soort weten: “Dat je door God gekend wordt. In al je onbeholpenheid.”
Ze aarzelt bij het etiket ‘katholiek schrijver’. “Ik weet niet wat een katholiek schrijver is in deze tijd. Bij iedere roman weer laat ik het geloof meeklinken als daar ruimte voor is, als het past bij het personage. Maar het is geen programma.” Toch erkent ze dat haar geloof onlosmakelijk verbonden is met de manier waarop ze over de dood schrijft. “Als ik een schrijver was die zei: dood is dood, dan had ik dit hele boek niet kunnen schrijven.”

Vonne van der Meer, Waar wil je liggen?
Uitgeverij: Atlas Contact
Pagina’s: 249 | € 22,99
Er zijn geen artikelen gevonden
Er zijn geen artikelen gevonden