
God is liefde, zegt de eerste, veelgeprezen encycliek van Benedictus XVI, Deus caritas est uit 2005. In de titel, afkomstig van 1 Johannes 4,16 (“God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem”), is de kern van het christelijk geloof gegeven, van het christelijke beeld van God en van de mens, van de weg die hij moet gaan.
Zo begint de paus zijn encycliek. In het christendom gaat het niet zozeer om “een ethische beslissing of hoogstaand idee”, maar om “een ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon, die ons leven een nieuwe horizon en daarmee een beslissende richting geeft”. Over liefde theoretiseer je niet, liefde kom je tegen, en dan weet je wat dat is!
Benedictus benadrukt steeds weer dat de liefde méér is dan een gebod, een plicht, dan “een kwestie van moraal”, dan een kwestie van gevoel, “want gevoelens komen en gaan”. De liefde die blijft komt van God, put uit een goddelijke bron die ons geschonken wordt.
Dit artikel is niet gevonden
De liefde van God is er eerst, en zij wil de mens oprichten, redden. Die liefde van God is mateloos en leren wij kennen in Jezus’ gelijkenissen over de herder en het verloren schaap, over de vader die op zijn verloren zoon toegaat, hem vergeeft en omhelst, over de barmhartige Samaritaan.
In deze parabel gaat het over een andere maat, en doorbreekt Jezus een grens, zegt de paus. Je hielp in Jezus’ tijd alleen je joodse volksgenoten en de vreemdelingen die zich in Israël gevestigd hadden. Maar de barmhartige Samaritaan gaat verder. Het begrip ‘naaste’ wordt door Jezus universeel gemaakt, uitgebreid naar álle mensen, alle noodlijdenden, alle hongerigen en dorstigen, alle vreemdelingen en uitgestotenen.
Er wordt hier niet om een “vrijblijvende liefde op verre afstand” gevraagd, maar om “mijn praktische inzet, hier en nu”. In het tweede deel van de encycliek gaat het om het beoefenen van de liefde, de Caritas. Al in de eerste eeuwen wekte de zorg van de christenen voor alle noodlijdenden “de verbazing van de heidenen”.
Voor de niet-christenen was dit liefdadige gezicht het enige waarvan zij onder de indruk waren, in een tijd waarin er van een sociale leer van die Kerk nog geen sprake was. De Kerk, zegt de paus, moet het Woord verkondigen, dan de liturgie vieren, met de sacramenten, en daarna (de derde pijler) naar buiten gaan, voor “de dienst van de liefde”, de diaconie doen.
Dat laatste is niet te scheiden van de eerste twee. De dienst van de liefde, het doen, is een onontbeerlijke uitdrukking van “het diepste wezen van de Kerk”, zegt de paus. In de familie van God mogen er geen noodlijdenden zijn, zegt hij. “Het Leger des Heils, jongen, dat zijn de échte christenen”, zo vertrouwde mijn katholieke vader mij als kind eens toe. Hij wist dat zeker.
Dit artikel is niet gevonden
De Kerk staat voor rechtvaardigheid, zegt de paus. Met haar sociale leer wil zij geen macht meer over de staat uitoefenen, maar wil zij “de gewetensvorming in de politiek dienen”. Maar geen enkele staatsvorm, hoe rechtvaardig ook, geen “totale verzorgingsstaat” zal ooit het wezenlijke kunnen geven, de echte Caritas, de liefde.
Dat moeten wij zelf doen, naast de instituten en structuren, door “het nabij zijn aan de mens die hulp nodig heeft”. De barmhartige Samaritaan kwam daar, hij zag, werd door medelijden bewogen, en handelde.
Er zijn geen artikelen gevonden