
Oudere gelovigen zien het met verbazing en argwaan aan: die jonge katholieken lijken vaak zo conservatief… Is dat zo, en hoe is de ‘verrechtsing’ te verklaren?
De moord op Charlie Kirk had iets van een seismische schok. Deze gruwelijke aanslag op 10 september had niet enkel effect op het leven van die ene persoon en zijn directe naasten, maar dreunde door, met naschokken die voelbaar waren tot ver buiten de VS.
Ik heb ze ook gevoeld. Zag mensen in mijn omgeving, in de katholieke ‘bubbel’ waarin ik nu eenmaal verkeer, die ze heel diep voelden. Ik zag de boosheid, de verontwaardiging. Die is begrijpelijk, maar eerlijk gezegd voelde ik zelf vooral vervreemding.
Vervreemding van een samenleving die de moord weliswaar veroordeelde, maar in één adem door ook de ‘abjecte’ ideeën van het slachtoffer veroordeelde. Maar evenzeer vervreemding van geloofsgenoten die Kirk kritiekloos tot een martelaar bestempelden, deden alsof het allemaal onversneden christendom was wat deze man predikte.
Zeker onder jongere medegelovigen bespeur ik een toenemende neiging om hun religieuze identiteit één op één te koppelen aan uiterst rechtse politieke opvattingen, alsof er geen enkel verschil van inzicht bestaat tussen die twee. Nou, lees de bronnen van onze traditie er maar op na, van het Evangelie tot en met de recente apostolische exhortatie Dilexi te: dat verschil van inzicht bestaat weldegelijk, is zelfs enorm en zeer fundamenteel.
Natuurlijk is er overeenstemming op enkele punten, en kun je ook niet doen alsof er niet even wezenlijke verschillen van inzicht bestaan tussen linkse politiek en katholiek sociaal denken. Maar toch: je moet jezelf wel in hele curieuze denkbochten wurmen om vol te houden dat politiek rechts naadloos samengaat met katholieke orthodoxie.
Maar ondanks die bevreemding wil ik het hier toch voor deze groep rechtse medekatholieken opnemen. Of er in elk geval voor pleiten om hun zorgen en noden en ideeën iets serieuzer te nemen, begrip en sympathie voor hen proberen op te brengen, en hen niet meteen weg te zetten als enge, domme extremisten.
Ik ontmoette talloze van deze mensen; eng en dom zijn zij zelden, of toch niet enger en dommer dan anderen. Opvallend vaak zijn zij juist intelligente, gevoelige mensen, in de gewone omgang eerder vriendelijk en timide dan gelijkhebberig en twistziek (dat worden ze doorgaans pas als ze achter een toetsenbord kruipen).
Eerlijk gezegd: ik herken mezelf sterk in deze mensen – en niet alleen omdat ik in het echt ook veel aardiger ben dan achter m’n toetsenbord. Ik snap de roep van rechts heel goed. Ik snap dat zeker jonge katholieken er zeer vatbaar voor zijn. Ik was er ook vatbaar voor in mijn adolescente jaren.
Dat was zo rond de millenniumwisseling, een tijdgewricht waarin ook de nodige seismische schokken voelbaar waren. Mijn Charlie Kirk heette Pim Fortuyn. Toen hij vermoord werd door een linkse activist trof me dat als een mokerslag. Ik had de opkomst van deze flamboyante intellectueel met bovengemiddelde belangstelling gevolgd, herkende me wel in zijn gevoel voor polemische stijl en dramatiek, het wat ingedutte Haagse establishment was in rep en roer – heerlijk! Ik had op 6 mei 2002 met veel plezier die radio-uitzending geluisterd die zijn laatste zou blijken, pal erna werd bekendgemaakt dat hij bij het verlaten van de studio was neergeschoten.
Met zoveel andere mensen was ik totaal verbijsterd. Ik vrees dat ik zelfs nog, ook net als velen, boze e-mails aan de VARA en De Volkskrant heb getikt over hoe zij aan de dodelijke ‘demonisering’ (een modewoord toen) van Fortuyn medeplichtig waren. En, ook dat geef ik schoorvoetend toe: ik heb op deze overleden lijsttrekker gestemd bij de verkiezingen erna, als een soort plechtige daad van verzet.
De rest is geschiedenis: de LPF maakte er een potje van, zoals alle populistisch rechtse partijen er altijd een potje van maken (hoezeer zij daar ook altijd anderen de schuld van weten te geven). Mijn rechtse sympathieën verdwenen samen met die partij als sneeuw voor de zon – zonder dat ik overigens ooit links geworden ben, je moet de dingen ook weer niet overdrijven. Ik zie mezelf inmiddels als een gematigde conservatief, met af en toe wat progressieve oprispingen (vooral wanneer ik te veel meningen van nieuw-rechtse types heb gelezen).
Wat is die roep van rechts? Wat verklaart die aantrekkingskracht, zeker bij een jonge generatie katholieken? Natuurlijk, op een persoonlijk niveau kun je zeggen: het is logisch dat we juist in onze adolescente jaren radicaler zijn, driftiger op zoek naar onze identiteit, ons unieke plekje op de wereld. Neurologen zullen zeggen: onze prefrontale cortex is dan nog niet uitontwikkeld, we zijn impulsiever, emotioneler, vatbaarder voor groepsdruk. Nogal wiedes dat we dan gevoelig zijn voor denkbeelden die de wereld opdelen in overzichtelijk zwart-wit.
Maar dat is hooguit een klein stukje van de verklaring. Je kunt met je onontwikkelde brein immers ook prima anarchist of marxist worden, en dat gebeurt natuurlijk óók. Maar jongeren die zich tegenwoordig gelovig noemen, radicaliseren toch eerder naar rechts dan naar links. En dat is niet voor het eerst: in het interbellum een eeuw geleden zagen we helaas ook al dat veel jonge katholieken bijzonder gecharmeerd waren van Mussolini, Franco en Hitler. Waarom?
We kunnen dat niet verklaren zonder ook naar de bredere samenleving en de generaties vóór hen te kijken. Katholiek Nederland had in de negentiende eeuw haar rechtmatige plek opgeëist in de toch overwegend protestantse samenleving waarin ze eeuwenlang tweede viool had gespeeld. Maar in de vroege twintigste eeuw tekende zich in dat emancipatiestreven wel een generatieconflict af.
Vroeger was katholiek zijn ‘erbij horen’, tegenwoordig is katholiek zijn bijna automatisch ‘er niet bij horen’
Waar de oudere generaties vooral wilden tonen dat ze volwaardige burgers waren, niet van andere keurige Nederlanders te onderscheiden, wilden de jonge generaties zelfbewuste katholieken juist laten zien dat zij anders waren. Zij wilden zich onderscheiden, hun katholieke identiteit maakte hen niet gelijkvormig maar juist buitengewoon. Ze riepen om vuur, om geestdrift in een wat ingedutte kleinburgerlijke kerkgemeenschap – en vonden een weerklank in de geestdrift van het fascisme, dat zeker in Zuid-Europa bovendien een onmiskenbaar katholiek-sociale kleur had.
Iets soortgelijks gebeurde een paar generaties later weer. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een nieuwe, brede status quo in West-Europa: een nieuwe gematigdheid waarin nog wel politieke bloedgroepen bestonden, maar toch ook een zekere kleurloosheid heerste. De extremen hadden we leren vrezen. Ook de Kerk moest zich aan die nieuwe realiteit, die nieuwe burgerlijkheid aanpassen – zo werd het aggiornamento dat paus Johannes XXIII voorstelde in onze contreien althans hardnekkig uitgelegd.
Tegenwoordig wordt nogal eens gedaan alsof de Kerk toen ineens heel ‘links’ werd, maar het eigenlijke probleem was dat ze toen heel kleurloos en gezapig werd, niet van de brede maatschappelijke middenmoot te onderscheiden. Ik weet dat nog uit mijn jeugd in de jaren tachtig: we zongen brave Kinderen-voor-Kinderen-achtige liedjes in ons dorpskoortje, De wereld is een toverbal (“Dus zullen we er samen iets van moeten maken”), We Are the World en meer van dat soort suffe ellende.
Het was allemaal vreselijk goedbedoeld, maar o zo hol en oppervlakkig. Mij kon het althans niet bekoren als opstandige puber, en ik raakte toen ook van mijn geloof vervreemd. Pas toen ik het geloof als jongvolwassene herontdekte, ontdekte ik dat de katholieke traditie vele malen rijker, veelkleuriger en diepzinniger was dan ik wist toen ik opgroeide. Ik herontdekte een schat aan wijsheid en liturgische schoonheid. En ik wist: hierin voel ik mij thuis.
Maar (opnieuw) gelovig worden werd ook toen niet erg begrepen. Je krijgt al snel het stempel ‘conservatief’ opgedrukt, zelfs door vele oudere katholieken nota bene.
Maar om die zogenaamde ‘verrechtsing’ van jonge katholieken te snappen, moet je dit wel snappen. Vroeger werd je katholiek door gewoon geboren te worden in een katholiek gezin, en daar verder niet meer al te veel vragen bij te stellen.
Tegenwoordig word je katholiek door wél vragen te stellen, door je af te zetten tegen de seculiere status quo waarin je geboren werd, waarin identiteit en zingeving geen vanzelfsprekendheden meer zijn. Vroeger was katholiek zijn ‘erbij horen’, tegenwoordig is katholiek zijn bijna automatisch ‘er niet bij horen’.
De samenleving vindt jou als gelovige een beetje raar, wereldvreemd misschien, en denkt: die wil terug in de tijd, de klok terugdraaien naar de jaren vijftig of zelfs de middeleeuwen. Misschien ga je dat zelf wel geloven, of misschien, nee hopelijk, weet je beter – maar hoe dan ook: je wordt haast vanzelf in hetzelfde verdomhoekje geplaatst als de lieden die ‘reactionair’ worden gevonden, ‘conservatief’, soms zelfs ‘extreemrechts’.
En dan blijkt het plots prima toeven zijn in dat verdomhoekje, dan blijken die engerds ook gewoon aardige, intelligente lieden die er ook gewoon maar net niet helemaal bij willen horen.
Waar populistisch rechts heel goed in is, is dit ‘er niet bij horen’ cultiveren. Die machteloze eenlingen, hoe ongelijksoortig ook, samensmeden tot een ‘wij’ dat zich machtig waant. Wij durven tegen de stroom in te roeien. Wij schoppen tegen het ‘establishment’ aan. Wij zeggen dingen die niemand durft te zeggen. Wij hebben onze ogen geopend waar de rest van de wereld stekeblind lijkt te zijn. Wij snappen dingen die niemand wil snappen. De afwijzende reactie van ‘de rest’ bevestigt voortdurend het heilige eigen gelijk.
Ja, dat is een dwaalspoor, dat niet voor niets vaak leidt tot razernij, achterdocht en samenzweringsdenken. Het is de oude ketterij van de gnostiek (“wij bezitten een geheime kennis die de rest van de wereld niet bezit”) in een modern jasje. Maar het is een verleidelijk dwaalspoor, en wie er vatbaar voor is moeten we zeer zeker niet voor dom of intrinsiek haatdragend verslijten. Het tegendeel is vaak eerder waar.
Geestelijken en oudere kerkgangers zien het vaak met enig wantrouwen aan, die jongelui met hun soms wel erg rechtse denkbeelden. En niet ten onrechte – Moedertje de Kerk mag, nee moet er tegenwicht tegen bieden, paal en perk stellen aan dwaalwegen die jongeren uiteindelijk de Kerk weer even hard uit voeren. Maar wel met moederlijk geduld en liefde. En door vooral ook uitgesproken te zijn, door met trots de veelkleurigheid van onze eigen traditie te tonen, waarin links, midden én rechts een plek mogen hebben.
Alles beter dan op te gaan in de grijze middenmoot.
![]() | Lees meer!Dit artikel is afkomstig uit Katholiek Nieuwsblad van deze week. |
Er zijn geen artikelen gevonden