
Onlangs bevestigde paus Leo XIV dat John Henry Newman de titel van kerkleraar zal worden toegekend. Dat is op zich al een heuglijke gebeurtenis, maar deze erkenning biedt ook kansen om met Newman in het achterhoofd de maatschappelijke rol van universiteiten tegen het licht te houden.
De Engelse kardinaal en theoloog John Henry Newman (1801-1890), die in 2010 zalig en in 2019 heilig werd verklaard, geldt als uitzonderlijk mens en uitmuntend theoloog. Als priester gevormd in de anglicaanse traditie maakte hij welbewust en weloverwogen de stap naar de katholieke Kerk. Zijn werken waren niet alleen een diepe getuigenis van Gods liefde, maar ook een inspiratie voor latere ontwikkelingen in de Kerk, zoals het Tweede Vaticaans Concilie.
Deze erkenning biedt hopelijk ook een stimulans voor ons denken over de rol van universiteiten in onze maatschappij. John Henry Newman was niet alleen in klerikale zin groots, maar ook in academische zin. Hij speelde een cruciale rol als medeoprichter en eerste rector van de Katholieke Universiteit van Ierland.
In die rol pleitte hij hartstochtelijk voor de universiteit als een plek die gericht is op kennis en algemene ontwikkeling van studenten. Onmisbaar in een dergelijke universiteit, vond Newman, waren filosofie en theologie, bij voorkeur geïnspireerd door het katholicisme.
In zijn bekende werk The Idea of a University (‘De Idee van een Universiteit’) betoogde Newman dat universiteiten niet in de eerste plaats onderzoeksinstellingen zouden moeten zijn, maar dat hun primaire doel op pedagogisch vlak moest liggen. De intellectuele en persoonlijke vorming van studenten stond voor hem voorop en de overdracht van kennis door docenten stond in dat licht.

Daarnaast diende de universiteit, in zijn ogen, zich wat betreft die vorming te onthouden van indoctrinatie. Haar rol in het voorschrijven of opleggen van een bepaalde moraliteit of ideologie zou beperkt moeten zijn. Immers, katholieke universiteiten zijn geen klerikale seminaries. Katholicisme in het universitaire curriculum betekende voor hem de acceptatie van een intellectuele zoektocht naar waarheid en waarachtigheid en de vorming van studenten tot liefhebbers van beide.
De wens dat Newmans ‘Idee van een Universiteit’ met zijn kerkleraarschap tot herwaardering van en kritisch reflectie op het instituut universiteit zal leiden, is niet zonder reden. Weliswaar is de discussie over universiteiten de laatste jaren hoog opgelopen, zeker in onze contreien. Maar in deze discussie gaat het vooral over geld en management.
Bezuinigingen op het hoger onderwijs houden de gemoederen bezig en hebben ertoe geleid dat universiteiten in de publieke opinie verkondigen dat met het terugschroeven van haar financiering de bijl aan de wortel van onze kennismaatschappij wordt gezet.
Op die stelling is het nodige af te dingen. Universiteiten hebben de laatste decennia een grote groei doorgemaakt en financieel zijn ze nog steeds goed af. Universiteiten besteden overigens veel middelen niet aan onderwijs, maar aan onderzoek. Studenten zijn bij dat laatste meestal niet betrokken, noch hebben ze er baat bij.
Maar nog interessanter aan de huidige discussie is dat deze volledig voorbijgaat aan de rol van universiteiten in de maatschappij. Juist daar is in deze tijd wel enige aandacht nodig. Universiteiten als hoeders van ons intellectuele erfgoed zijn steeds minder geloofwaardig en hebben daarop allerminst een recht van monopolie.
Laat er ook geen misverstand over bestaan dat de universiteit de maatschappij ook ontzettend veel kost. Zeker in de Lage Landen dragen overheden enorme hoeveelheden geld bij aan de universiteit door middel van directe financiering van instituten en via het subsidiëren van het onderwijs voor studenten.
Voor katholieke universiteiten is Newmans benoeming tot kerkleraar een uitgelezen kans tot herprofilering
Die investeringen vanuit de overheid, die overigens worden opgebracht door gewone belastingbetalers, zijn eigenlijk alleen maar goed en blijvend te verantwoorden als die maatschappij inderdaad baat heeft bij wat de universiteit voortbrengt.
Deels is dat gelegen in het feit dat universitair opgeleiden uiteindelijk nuttige functies binnen die maatschappij bekleden. Ingenieurs, artsen, economen en psychologen worden geacht de maatschappij te dienen. Hun opleiding mag die maatschappij dan ook wat kosten, maar hoeveel? Studenten die eerst financieel in de watten worden gelegd door de belastingbetaler, laten diezelfde belastingbetaler later dik betalen voor hun diensten.
Daarnaast komen de studies die, ogenschijnlijk of financieel, niet direct bijdragen aan de maatschappij in het gedrang. De populariteit van klassieke studies, die niet gericht zijn op een goed betalende of ogenschijnlijk direct nuttige professie, delven het onderspit. Maar juist daar zou de universiteit aan de maatschappij moeten bijdragen, al laat het zich een stuk lastiger omschrijven en vaststellen hoe de universiteit dat doet.
De term ‘verheffing’ is daartoe slechts een poging. Het gaat erom dat de maatschappij er cultureel en intellectueel op vooruitgaat bij universiteiten die intellectuele voeding geven aan de maatschappij.
Als het goed is, staat de universiteit hierbij voor vrijheid van meningsuiting en opinieontwikkeling. De universiteit is – was? – een intellectuele vrijplaats waar docenten en studenten in veiligheid hun intellectuele degens met elkaar kunnen kruisen. Als zij dat goed doet, biedt de universiteit de maatschappij burgers die zindelijk en volwassen kunnen en willen denken en die de maatschappij intellectueel kunnen doen floreren.
Universiteiten op levensbeschouwelijke grondslag zouden vooral in deze laatste doelstelling moeten excelleren en zich geroepen moeten voelen te reflecteren op hun maatschappelijke rol. Maar doen ze dat?
Wat vaststaat is dat universiteiten alle even hard toeteren in de huidige protesten over hun teruglopende financiering. Zeker vanuit katholiek standpunt is er best wel wat te zeggen over de grandioze financiële bijdrage die de maatschappij via de belastingbetaler aan de universiteit levert en wat diezelfde belastingbetaler daar eigenlijk voor terugkrijgt. Dat valt best tegen.
De universiteit is doorgeschoten in haar oorspronkelijke authentieke streven naar kennisvermeerdering en -verspreiding. De nadruk is op het eerste komen te liggen. Universiteiten zijn verworden tot fabrieken van academische publicaties. Hiermee stimuleren individuele wetenschappers vooral hun eigen carrières. Die zijn niet gericht op goed onderwijs. Over de kwaliteit van die publicaties valt ook menig kritisch noot te kraken. Kwantiteit domineert kwaliteit.
Daarnaast mogen we best de vraag stellen wat de metriek die wordt toegepast om een goede professor te definiëren – veel publicaties – nu eigenlijk te maken heeft met het kerndoel van de universiteit, het opleiden van jonge mensen door middel van goed onderwijs. Jonge universitaire docenten worden geselecteerd op basis van de kwaliteit van hun onderzoek, niet die van hun onderwijs. Hun verdere carrière is ook afhankelijk van hun wetenschappelijke productie, zoals de publicatie van artikelen werkelijk wordt genoemd.
Maar er is nog een andere reden waarom je kritisch kunt kijken naar de rol van universiteiten In de huidige maatschappij. De veelbesproken ‘woke-beweging’, waarin medewerkers en studenten worden gemaand om hun eigen identiteit te kiezen, te koesteren en te verdedigen naar anderen, is inmiddels doorgeslagen.
Onder het mom van inclusiviteit ligt er een enorme druk op docenten om intellectuele normeringen te verlagen, examens te vereenvoudigen en studiepunten gratis afhaalbaar te maken. Steeds meer studenten zien zelf hoezeer hun diploma’s aan waarde hebben ingeboet. De opkomst van kunstmatige intelligentie is de katalysator van deze ontwikkeling, waarop geen technisch antwoord voldoende zal blijken.
Juist nu verdient John Henry Newmans idee van een universiteit herwaardering. Voor katholieke universiteiten in het bijzonder is zijn benoeming tot kerkleraar een uitgelezen kans tot herprofilering. Voor deze universiteiten is de afschaffing van het christelijk gebed bij de start van academische plechtigheden een teken aan de wand. De langzaam-maar-zekere eliminatie van filosofie en theologie uit de curricula is dat ook.
De Radboud Universiteit heeft alles in het werk gezet om haar eigen katholiciteit af te zweren; het is slechts aan de volharding van het Vaticaan te danken dat deze universiteit nog katholiek mag heten. Ook de universiteit in Tilburg steekt haar achtergrond het liefst onder de korenmaat. Aan de KU Leuven wordt een priester erop aangesproken als hij een boord draagt en wordt Rome openlijk uitgedaagd.
Bij het bezoek van paus Franciscus wierpen zowel de rectoren van Leuven als die van UC Louvain hem voor de voeten niet liberaal genoeg te zijn, alsof we met Franciscus niet de meest liberale paus van de afgelopen eeuw hebben gekend. Dit zijn slechts de uiterlijke tekenen van een groter intern gebrek aan inzicht over de rol van katholiciteit in een vormend instituut.
Ten onrechte wordt deze katholiciteit van universiteiten gezien als iets uit het verleden waarvoor men zich nu moet schamen, en die vooral niets zou toevoegen aan de intellectuele en vormende missie van de universiteit. Maar juist dat heeft John Henry Newman effectief bestreden.
Met de ontkenning van de katholieke identiteit is ook de weg gebaand voor de ontkenning van de katholieke intellectuele principes die ten grondslag liggen aan het hoger onderwijs. De universiteiten zijn voortgekomen uit de kloosters van de middeleeuwen, waar studie, contemplatie en ontzag voor de schepping voorop stonden. Universiteiten waren erop gericht om kennis en reflecties van generatie op generatie over te dragen, te verbreden en te verbeteren.

Universiteiten waren nooit publicatiefabrieken, maar juist plekken waar persoonlijke en maatschappelijke intellectualiteit zich ontwikkelde. Voorop stond niet het opleiden tot een beroep, maar het opleiden van een mens. Door de student te laten werken aan zichzelf, door karaktervorming, creëerden universiteiten jonge mensen die in hun beroep konden uitblinken. Jonge mensen werden vooraleerst gevormd tot moreel goede, ijverige, en deugdzame mensen, en konden daardoor uitblinken in het verwerven en toepassen van kennis en vaardigheden.
Dat is de boodschap van John Henry Newman, en die is actueler dan ooit. Het is hoog tijd om die boodschap weer serieus te nemen. Het is tijd om de katholieke identiteit te herijken als essentiële drijfveer voor persoonlijke ontwikkeling van student en docent. Gelukkig zien we in het buitenland een groeiend aantal instituten dat deze uitdaging herkent en heeft opgepakt.
Niet al deze initiatieven dragen een expliciet katholieke signatuur, maar alle zijn gedreven door het motief om de werkelijke en diepe waarde van universitair onderwijs weer op de voorgrond te krijgen. De zoektocht naar werkelijkheid en waarde en naar vrede en rechtvaardigheid staat of valt niet met de hoeveelheid publicaties en de hoeveelheid studenten die universiteiten afleveren. Zij staat of valt met de principiële oriëntatie van universiteiten naar deze waarden die voor de maatschappij van cruciaal belang zijn.
Misschien is het tijd voor een nieuwe katholieke universiteit in de Lage Landen.
Frank Hartmann is hoogleraar Accounting aan de Northeastern University in Boston en filosoof. Cornelis J. Schilt is universitair hoofddocent Kennisgeschiedenis en Kennisfilosofie aan de Vrije Universiteit Brussel en voorzitter van de Stichting Lux Mundi.
![]() | Lees meer!Dit artikel is afkomstig uit Katholiek Nieuwsblad van deze week. |
Er zijn geen artikelen gevonden