
In het toneelstuk Het geluk van Limburg, dat onlangs in Kerkrade in première ging, worden katholieke priesters weggezet als machtswellustelingen. De vertelling, met acteur Huub Stapel in de hoofdrol, slaat de rol van de Kerk in de Limburgse mijnstreek zo plat als een makkelijk weg te slikken vlaaipunt.
Ten grondslag aan het Limburgse toneelstuk Het geluk van Limburg, dat nog tot in november wordt opgevoerd, ligt het gelijknamige boek uit 2015 van auteur Marcia Luyten. Dit boek schetst geen wetenschappelijk verantwoord historisch beeld van de mijntijd in de vorige eeuw in Limburg.
Luyten geeft dat ook toe: gemakshalve categoriseert ze haar boek als “literaire non-fictie”. Dit vreemde genre is mijns inziens echter geen vrijbrief om priesters te beschuldigen van een samenzwering tegen de Limburgse mijnwerker.
“Houd jij ze dom, dan houd ik ze arm”, zou de sigaar rokende mijndirecteur gezegd hebben tegen de schuddebuikende meneer pastoor. Feitelijk onderbouwd worden dergelijke hapklare clichés door Luyten niet.
Het meest stuitend vind ik de volgende beschuldiging van Luyten. Ze stelt in haar boek dat de mijndirectie en de priesters van de katholieke Kerk samenspanden om bij het overlijden van een mijnwerker de nabestaandenuitkeringen zo laag mogelijk te houden.
Om dat te bereiken, zouden priesters stelselmatig gelogen hebben over het tijdstip van sterven van mijnwerkers die onder de grond waren verongelukt. Dat tijdstip van overlijden bepaalde namelijk de hoogte van de nabestaandenuitkering. Deze uitkering was hoger als een mijnwerker ondergronds in plaats van bovengronds stierf.
Luyten stelt dat priesters opzettelijk dat tijdstip vervalsten zodat de mijndirectie dan minder zou hoeven betalen. Bewijzen kan ze deze boude bewering niet.
Maar stel dat priesters inderdaad logen over het tijdstip van sterven, dan zou dit wellicht ook een andere reden kunnen hebben dan een financiële? Wat te denken van een theologische?
Het is voor veel mensen anno nu welhaast onmogelijk om voor te stellen dat priesters echt begaan waren met het zielenheil van hun ‘schapen’.
Limburgse katholieken uit die tijd leefden onder een religieuze stolp die nu moeilijk invoelbaar is. Natuurlijk zei een priester het liefst tegen een nabestaande dat haar echtgenoot pas gestorven was nadat die de laatste heilige sacramenten ontvangen had. Aan deze sacramenten wordt grote waarde toegekend en ze worden door priesters toegediend aan levenden.
Aangezien er in de mijngangen geen priesters aanwezig waren, kon het niet anders dan dat deze sacramenten pas bovengronds konden worden toegediend. Als het überhaupt al waar is dat priesters toentertijd logen over het tijdstip van overlijden, dan zouden zij dat wellicht gedaan hebben om de overlevenden gerust te stellen?
Het is voor veel mensen anno nu welhaast onmogelijk om voor te stellen dat priesters echt begaan waren met het zielenheil van hun ‘schapen’. Nee, een verhaal over een kongsi met de mijndirectie, dat smaakt zoeter!
Het is betreurenswaardig dat het toneelstuk Het geluk van Limburg daar schaamteloos in meegaat. ‘Meneer Pastoor’ wordt er gemakzuchtig opgevoerd als een slinkse slavendrijver, die met een springtouw een groepje onschuldig spelende mensen een kolenmijn in drijft. Zo’n nostalgisch toneelstuk gaat er weliswaar in als zoete koek, maar ik krijg er maagpijn van.
Sander Bisscheroux studeerde Cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Maastricht. Hij is als acoliet verbonden aan de Onze-Lieve-Vrouwe-Tenhemelopnemingparochie in Maastricht.
Er zijn geen artikelen gevonden