Redacteur Nieuwe Media

Vier eeuwen lang hingen de vijftien schilderijen van de rozenkransmysteriën uit de Sint-Pauluskerk in Antwerpen hoog boven het hoofd van de gelovige. Nu zijn ze voor het eerst buiten België en op ooghoogte te zien. De monumentale cyclus hangt tijdelijk in Het Noordbrabants Museum in Den Bosch.
De tentoonstelling – met werken van onder meer Peter Paul Rubens, Antoon van Dyck en Jacob Jordaens – is tot en met 25 oktober te zien in Het Noordbrabants Museum. De expositie laat niet alleen zeventiende-eeuwse topkunst zien, maar onderzoekt ook hoe rituelen, herinneringen en tastbare voorwerpen mensen door de eeuwen heen houvast boden en nog altijd bieden.
De cyclus zelf kent een bewogen geschiedenis. In 1794 werden de schilderijen door de Fransen meegenomen en in 1817 keerden ze terug naar Antwerpen, waarna het ensemble weer compleet werd. De schilderijen staan bovendien op de Vlaamse topstukkenlijst. Nu de Sint-Pauluskerk gerestaureerd wordt, zijn ze tijdelijk te bewonderen in het Bossche museum. Een uitzonderlijke kans.
Dit artikel is niet gevonden
De vormgeving van de tentoonstelling verwijst bewust heel naar de oorspronkelijke kerkelijke omgeving. De zachte pasteltinten van de zalen sluiten volgens curator Floris van Alebeek aan bij de lichtinval in de Sint-Pauluskerk: het grijs-wit van het marmer en het bruin van de lambrisering.
Elf kunstenaars werkten begin zeventiende eeuw mee aan de mysteriecyclus. Normaal hangen de werken ongeveer vier meter boven de kerkvloer. In Het Noordbrabants Museum is die oorspronkelijke hoogte zichtbaar gemaakt met een sierlijst boven de schilderijen, om te illustreren hoe dichtbij ze nu zijn.
De kunstwerken zijn verdeeld over de drie groepen: de blijde mysteriën, over de aankondiging en geboorte van Jezus, de droevige mysteriën, waarin het lijden van Christus centraal staat, en de glorieuze mysteriën, over de wederopstanding. Samen vormen zij een beweging van vreugde naar lijden en uiteindelijk naar hoop.
De tentoonstelling begint bij de blijde mysteriën. In De Aanbidding van de herders van Vlaamse barokschilder Cornelis de Vos ziet de bezoeker Maria die het Christuskind aan de herders toont. Het enige licht lijkt uit het Christuskind zelf te komen; een voorbeeld van de invloed van het caravaggisme, dat ook via Rubens in de Nederlanden ingang vond.
“Nu zien we het allemaal op ooghoogte. Dan zijn er details die ineens in het oog springen”, vertelt Van Alebeek tijdens de opening van de expositie. Bij de Visitatie, het tafereel waarin Maria haar zwangere nicht Elisabeth bezoekt, wijst hij op zeventiende-eeuwse details zoals een brilletje, een geldbuidel en een sleutelbos. Ook in het landschap verschijnen dieren die vanaf de hoogte in de kerk nauwelijks zichtbaar waren: herten, konijnen, zwanen en libellen.
Voor de werken staan lange banken waarop bezoekers kunnen zitten en de schilderijen rustig kunnen bestuderen. Wat ooit onderdeel was van een gebedspraktijk waarbij gelovigen op afstand de mysteriën overwogen, wordt nu een uitnodiging om langer stil te staan bij details en emoties.
Bij De Geseling van Christus van Rubens, die een zaal verder hangt, wordt dat verschil bijzonder duidelijk. “Vanaf een afstand zien we de striemen op de rug van Christus. Ze doen pijn”, legt de curator uit. “En als je dichterbij komt, zie je hoe Rubens strategische penseelstreken geplaatst heeft om dat te bereiken.”

Wat van veraf een bloedige verwonding lijkt, blijkt dichtbij opgebouwd uit enkele zeer gerichte penseelstreken. De schilderijen waren gemaakt om van beneden af te worden bekeken, maar op ooghoogte worden ineens pigmenten, stoffen, plooien en kleine gebaren zichtbaar.
In Antoon van Dycks Kruisdraging kijkt Maria haar zoon aan terwijl Christus onder het kruis bezwijkt. “Daar zie je de tranen over Maria’s wang rollen. Hij kijkt in paniek naar zijn moeder; beiden zijn in tranen”, merkt Van Alebeek op. “De emotie kan je lezen vanaf een afstand, maar vanaf zo dichtbij kun je het echt voelen. Je kunt de tranen bijna tellen.”
Bij de mysteriën zijn moderne kunstwerken geplaatst van onder andere de Marokkaans-Franse Latifa Echakhch, beeldhouwer Maria Roosen en de Chileense Cecilia Vicuña. De tentoonstelling zoekt daarmee niet naar een tegenstelling tussen oud en nieuw, maar naar verbindingen tussen verschillende vormen van herinnering en ritueel.

Zo ziet de bezoeker bij de droevige mysteriën het werk Worry Beads van Mona Hatoum: een sterk vergrote versie van een islamitisch kralensnoer, uitgevoerd in gepatineerd brons. Door de schaal en het materiaal lijken de kralen op kanonskogels. De persoonlijke geschiedenis van de kunstenares speelt daarin mee: Hatoum groeide op in een Palestijns gezin. De associatie met geweld sluit aan bij het lijden van Christus.
Een andere hedendaagse bijdrage is van de Nederlands-Braziliaanse kunstenaar Geraldo Dos Santos, te vinden vlak na de zaal met de glorieuze mysteriën. Zijn werk bestaat uit een uitvergrote keramische interpretatie van een snoer van ‘huayrurovormen’: rood-zwarte zaden uit het Amazonegebied die in verschillende Zuid-Amerikaanse tradities symbool staan voor bescherming, voorspoed en evenwicht.
De zaden worden vaak verwerkt in amuletten en rituele objecten en markeren belangrijke momenten in het leven, zoals huwelijken of andere overgangsmomenten.

“Het gaat eigenlijk over hoe iets overdraagbaar wordt”, zegt Dos Santos bij de onthulling van de tentoonstelling. “Dat kan een gevoel zijn, een emotie, maar tegelijkertijd gaat het over iets wat waardevol is.” Zijn werk verwijst naar de manier waarop verschillende religieuze tradities in Zuid-Amerika elkaar hebben beïnvloed, waarbij inheemse tradities, Afrikaanse religieuze invloeden en het katholicisme elkaar ontmoeten.
Het slotdeel van de tentoonstelling verplaatst de aandacht van de kunstgeschiedenis naar persoonlijke verhalen. Tien verschillende snoerobjecten, ingezonden door mensen uit Brabant en de omgeving, krijgen een eigen plek. Het gaat niet alleen om katholieke rozenkransen, maar ook om andere snoeren en rituele objecten, zoals een islamitische tasbih, een boeddhistische juzu en orthodoxe gebedssnoeren.
Ook de Kanjerketting is onderdeel van de presentatie. Iedere kraal staat voor een betekenisvolle gebeurtenis in het ziekteproces van een kind met kanker. In de bijbehorende audiotour vertelt de jonge Mickey hoe de ketting haar hielp om haar verhaal rond haar ziekte en behandeling opnieuw te vertellen. Volgens Van Alebeek ligt juist daarin de kracht van zulke objecten.
“De rozenkrans spreekt verschillende zintuigen aan: je kunt hem zien, je kunt hem tellen, je kunt hem voelen.” Daarom is een gebedssnoer volgens hem niet alleen een religieus object of cultureel erfgoed. “Een gebedssnoer is geen dood ding. Dat staat nog steeds in het leven van mensen nu.”
Ook bezoekers worden uitgenodigd om zelf een tastbaar herinneringsobject te maken. Tijdens de audiotour krijgen zij een koord mee waarin zij onderweg negen knopen leggen. Aan het einde van de rondgang hebben zij een persoonlijk knopenkoord gemaakt. Workshops om na de expositie zelf een (gebeds)snoer te maken worden georganiseerd door het Eindhovense knutselbedrijf Holy Craft.
Zo maakt 15 Mysteriën van de rozenkrans een beweging van de hoge kerkmuur naar de museumzaal, van het zeventiende-eeuwse penseel naar hedendaagse rituelen, en van het monumentale altaarstuk naar het persoonlijke object dat mensen vandaag met zich meedragen.
15 Mysteriën van de rozenkrans is te zien in Het Noordbrabants Museum in Den Bosch tot en met 25 oktober.
Deze pagina is niet gevonden
Er zijn geen artikelen gevonden
Er zijn geen artikelen gevonden