<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Veertigdagentijd

Overweging: Wat is er met de zonde gebeurd?

Mgr. Ron van den Hout 3 april 2019
image
We verbergen het achter maskers, maar wie eerlijk is, weet: de zonde maakt deel uit van ieders leven. (Illustratie: Darren Hopes – Ikon Images)

Het woord zonde is beladen geworden. Zelfs katholieken die het wekelijks in de Mis in de mond nemen, vermijden het verder liever – ook voor zichzelf. Maar waarom is dat zo? En is er een uitweg uit? Enkele lezingen uit de Veertigdagentijd bieden houvast, zo laat bisschop Ron van den Hout zien.

Als ik zeg ‘we zijn allemaal zondaars’, dan accepteert u dat wel. Maar zeg ik ‘ik ben zondig’, of ‘u begaat een zonde’ of ‘u leeft in zonde’, dan gaan bij veel mensen de luiken dicht. Toch neemt elke katholiek die naar de kerk gaat, het woord wekelijks in de mond: “dat ik gezondigd heb… door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld”; “Mogen door de woorden van het Evangelie onze zonden worden uitgewist”; en “Zie het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt. – Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt…”

Geweten in plaats van de wet

Onze liturgie spreekt veel over zonde. Waarom is het woord dan in de praktijk toch in diskrediet geraakt? Kortweg: we hebben het geweten in plaats gesteld van de wet en de norm. We spreken over ‘eigen verantwoordelijkheid’, maar zien die niet meer als ‘verantwoording afleggen’ aan iets, laat staan aan Iemand. De tijdgeest lijkt veranderd; objectief gezien weten we vaak wel wat zonde is, maar we betrekken dat niet op onszelf. In persoonlijke situaties brengen we vooral de goede intentie in, en voeren moeilijke omstandigheden aan als verontschuldiging. In andere gevallen herdefiniëren we de zonde: wat vroeger zonde was, is dat voor ons nu niet meer.

“De tijdgeest lijkt veranderd; we weten wel wat zonde is, maar we betrekken dat niet op onszelf”
- Mgr. Ron van den Hout

Houvast in de psalmen

Kunnen we dan nog wel zinvol over zonde spreken in onze tijd? Enkele Bijbellezingen uit de Vastentijd bieden houvast.

We belijden graag dat God nabij en aanwezig is. We doen dat in ons gebed, onbekommerd en zonder veel nadenken. Toch lezen we op de tweede zondag van de Veertigdagentijd in Psalm 27: “Wil Uw gelaat niet verbergen voor mij, verstoot mij, uw dienaar, niet in Uw gramschap.” De psalmist bidt dat God hem niet verjaagt: een impliciete erkenning dat God boos kan zijn en hem kan verlaten als hij niet doet wat goed is in Gods ogen.

De psalmist probeert God te bewegen hem weer aan te kijken. Uit eigen ervaring weten we allemaal hoe pijnlijk het is om genegeerd te worden; om tevergeefs contact zoeken omdat de ander ons niet aankijkt. Niet voor niets vragen we ons af, als we beseffen dat we fouten hebben gemaakt: hoe kan ik de ander weer onder ogen komen? Dáárom smeekt de psalmist God om contact, om het uit te praten: “Heer, wend Uw aangezicht mij toe.”

Vreze Gods

Maar afstand tussen God en mens – de ‘vreze Gods’ – kent ook een sacrale kant. Als Mozes de brandende doornstruik op de berg Horeb nadert – we lezen het op de derde zondag van de Veertigdagentijd – dan boezemt Gods verschijning ontzag in: “Kom niet dichterbij, doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond.” God is nabij, en tegelijk is er eerbied, en ontzag. Hoe dichter bij God, hoe sacraler de omgeving is.

Bij veel kerkelijke vieringen mis ik die sacraliteit. Het gebouw en de liturgie roepen zuiverheid en heiligheid op. Maar de omgeving is minder sacraal: we drinken koffie, we kletsen met elkaar tot het moment waarop de Mis begint. Na slotlied en orgelspel is het niet stil. Kerkelijke samenkomsten zijn wat anders dan de ‘stilteruimtes’ waaraan de moderne mens behoefte heeft. Laten we opnieuw nadenken over wat vrees en liefde voor God betekenen. Het een kan niet zonder het ander. Liefde vraagt ook om respect en distantie.

image
Bisschop Ron van den Hout: "Laten we opnieuw nadenken over wat vrees en liefde voor God betekenen." (Foto: Jan Peeters - KN)

Slechte dingen begeren

Op de vierde zondag van de Veertigdagentijd lezen we uit Paulus’ brief aan de Korintiërs. De apostel waarschuwt hen dat ze niet moeten worden als de Israëlieten tijdens hun tocht door de woestijn: “…zij die slechte dingen begeren”. Ze morden tegen God, vertrouwden Hem niet omdat ze honger en dorst hadden. Te weinig beseften ze dat God met hen meetrok en voor hen zorgde. Ook Mozes en Aaron werden niet vertrouwd als gezanten van God.

‘Begeerte’ is een heel menselijk gegeven. Er zijn altijd aanlokkelijke dingen die we willen bezitten; er is altijd macht die we over anderen willen uitoefenen. Het is goed om onze begeertes beter te signaleren. Waar gaat mijn begeerte naar uit, bewust of onbewust? Begeerte wordt van buitenaf opgewekt, maar beantwoordt ook aan iets in ons dat maakt dat we erop ingaan.

Bekoringen van de duivel

Jezus’ bekoringen in de woestijn door de duivel – de eerste zondag van de Veertigdagentijd – hebben alle drie te maken met macht en positie: macht om van stenen brood te maken, macht over koninkrijken, vermetel vertrouwen in God stellen door zich van de tempelmuren naar beneden te storten.

De begeerte die in ons gewekt wordt, brengt ons in dilemma’s. Sommigen hebben bijvoorbeeld de dienst van leiderschap ontvangen. Waar eindigt je dienst aan samenleving of Kerk, en begint het veiligstellen van je eigen positie? Dat zijn subtiele bewegingen in je binnenste, die je zelf moet meemaken, soms achteraf erkennend dat je iets vooral voor jezelf deed. Op andere momenten komt het kwaad van buiten op ons af. Kunnen we het dan goed onderscheiden en de juiste beslissing nemen? En hebben we de kracht om naar ons juiste besluit te handelen?

“Bij veel kerkelijke vieringen mis ik de sacraliteit”
- Bisschop Ron van den Hout

Straf en ommekeer

Doe je iets fout, dan kan er straf volgen. Pedagogen betwijfelen of dat het beste principe is, maar toch is niet altijd te voorkomen dat een leerkracht of ouder een kind ook straft. Iedereen begrijpt dat ook: doet een kind iets dat je verboden had, dan moet je er consequenties aan verbinden.

Op de derde zondag van de Veertigdagentijd verbindt Jezus straf echter niet zozeer aan de zonde, maar aan de weigering om zich te bekeren: “Denkt ge dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen (= zij die omkwamen bij een slachting door Pilatus, RvdH) zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben? Volstrekt niet zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.”

Kleine stappen in de goede richting

Zonde is niet alleen een foute daad, het gaat ook om een houding, een innerlijke gesteldheid. In Jezus’ gelijkenis van de verloren zoon keert deze zich eerst van zijn vader af, en later – wijs geworden – weer naar hem toe: “Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u.” Ommekeer is de wil en het verlangen naar vergeving. Zo heeft God in Christus een stap naar de wereld gezet. De zondaar hoeft dat alleen maar te erkennen, en te geloven dat God door Christus verzoening heeft bewerkt.

Bekering kan plotseling komen, al bestaat ze meestal uit kleine stappen in de goede richting. De zonde maakt deel uit van ons leven, we hebben er allemaal mee te maken. Dat ontkennen, is niet eerlijk naar onszelf en anderen. Laten we dat in de Veertigdagentijd erkennen, want, vrij naar Augustinus: wie ontkent dat hij gezondigd heeft en zijn belijdenis voor zich houdt, moet beseffen dat hij dan de vergeving misloopt.

Mgr. dr. Ron van den Hout is bisschop van Groningen-Leeuwarden. Deze overweging is gebaseerd op een lezing die hij onlangs gaf op een bezinningsdag van het Centrum voor Parochiespiritualiteit in Nijmegen, en verscheen eerder in Katholiek Nieuwsblad (KN 13, 29 maart).