<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Veertigdagentijd

Paus in Vastenboodschap: ‘de schepping heeft onze bekering nodig’

KN Redactie 1 maart 2019
image
CNS Photo - Adrees Latif, Reuters

In zijn boodschap voor de Veertigdagentijd, schrijft paus Franciscus dat de schepping verlangt naar de openbaring van Gods kinderen.

Beste broeders en zusters,

Elk jaar gunt God het zijn gelovigen, via onze Moeder de Kerk, “om zich met vreugde voor te bereiden op het feest van Pasen, gereinigd door de Geest, opdat […] ze vanuit het mysterie van de verlossing kunnen komen tot de volheid van het leven in Christus” (Prefatie Veertigdagentijd 1).

Op die manier kunnen wij, van Pasen tot Pasen, op weg gaan naar de vervulling van die verlossing die we reeds hebben ontvangen dankzij het paasmysterie van Christus: “In deze hoop zijn wij gered” (Rom. 8,24).

Dit mysterie van de verlossing, dat al tijdens ons aardse leven werkzaam is, is een dynamisch proces dat ook de geschiedenis en heel de schepping omvat. De heilige apostel Paulus zegt: “Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen” (Rom. 8,19). Vanuit dat opzicht, wil ik een aantal reflectiepunten aanbieden, ter begeleiding van jullie weg van bekering tijdens deze Veertigdagentijd.

De verlossing van de schepping

De viering van het paastriduüm van de passie, dood en verrijzenis van Christus, hoogtepunt van het liturgisch jaar, roept ons steeds weer op om een weg van voorbereiding te leven, in de wetenschap dat gelijk worden aan Christus (vlg. Rom. 8,29) een onbetaalbaar geschenk van Gods barmhartigheid is.

Als de mens leeft als kind van God, als hij leeft als verloste mens, die zich laat leiden door de Heilige Geest (vlg. Rom. 8,14) en Gods Wet weet te herkennen en in de praktijk weet te brengen, te beginnen met die in zijn hart en in zijn aard, doet hij de schepping goed en draagt hij bij aan haar verlossing.

Daarom, zegt de apostel Paulus, is het allerdiepste verlangen van de schepping dat Gods kinderen zich openbaren, ofwel, dat zij in de mate waarin zij genieten van de genade van het paasmysterie van Jezus, er ten volle de vruchten van beleven, die erop gericht zijn hun volledige wasdom te bereiken in de verlossing van het menselijk lichaam zelf.

Als Christus’ barmhartigheid het leven van de heiligen verandert – in geest, ziel en lichaam -, brengen zij eer aan God en door hun gebed, overweging en kunst, betrekken zij ook de andere schepsels, zoals het Zonnelied van Sint-Franciscus van Assisi op wonderbaarlijke wijze laat zien (vlg. Encycliek Laudato si’, 87). Maar in deze wereld wordt de harmonie die voortkomt uit de verlossing nog altijd bedreigd door de negatieve kracht van de zonde en van de dood.

De vernietigende kracht van de zonde

Als we niet leven als kinderen van God, vertonen we vaak destructief gedag richting de naaste en de andere wezens – maar ook richting onszelf – en menen wij, min of meer bewust, dat wij er naar believen gebruik van kunnen maken. De overdaad krijgt dan de overhand en leidt tot een levensstijl die schade toebrengt aan de grenzen die ons menszijn en de natuur ons vragen te respecteren.

We volgen dan die oncontroleerbare verlangens die in het boek Wijsheid worden toegeschreven aan de goddelozen, ofwel aan degenen die God niet als referentiekader nemen voor hun daden en geen hoop hebben voor de toekomst (vlg. 2,1-11). Als we niet voortdurend gericht zijn op Pasen, op de horizon van de Verrijzenis, is het helder dat de logica van alles en wel meteen, van het bezit, zich steeds meer aan ons opdringt.

We weten dat de oorzaak van alle kwaad ligt in de zonde, die vanaf het moment van verschijning te midden van de mensen, de gemeenschap heeft verbroken met God, met de naasten en met de schepping, waarmee we vooral via ons lichaam verbonden zijn.

Door onze eenheid met God te doorbreken, is de zonde ook gekomen om de harmonieuze relatie te doorbreken van de mens met de schepping waarin we geroepen zijn te leven. Zo zeer dat de tuin is veranderd in een woestijn (vlg. Gen. 3,17-18). Het gaat om die zonde die ertoe leidt dat de mens zich de god van de schepping waant, dat hij zich de absolute heerser van de schepping voelt en dat hij die niet gebruikt volgens de wil van de Schepper, maar uit eigenbelang, ten nadele van de schepselen en van de naasten.

Als Gods wet, de wet van de liefde, wordt genegeerd, geldt uiteindelijk de wet van het recht van de sterkste. De zonde die in het hart van de mens woont (vlg. Mc. 7,20-23) en die zich manifesteert als hebzucht, het verlangen naar een extravagant leven, en desinteresse voor het welzijn van anderen en vaak ook van jezelf, leidt tot de uitbuiting van de schepping, van mensen en van het milieu, volgens die onverzadigbare inhaligheid die meent recht te hebben op elk verlangen en die vroeg of laat leidt tot de vernietiging van degene die er door beheerst wordt.

De genezende kracht van de boetedoening en de vergeving

Daarom heeft de schepping er dringende behoefte aan dat Gods kinderen zich openbaren, degenen die de “nieuwe schepping” zijn geworden: “Zo is dus wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen” (2Kor. 5,17).

Inderdaad, als zij zich tonen, kan ook de schepping zelf “Pasen maken”: zich openen voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (vlg. Ap. 21,1). De weg naar Pasen roept ons dan ook op om ons aangezicht en ons hart als christenen te herstellen, door middel van de boetedoening, de bekering en de vergeving, om heel de rijkdom van de genade van het paasmysterie te kunnen beleven.

Dit ongeduld, dit wachten van de schepping zal zijn vervulling vinden wanneer Gods kinderen zich tonen, ofwel wanneer de christenen en alle mensen resoluut binnengaan in deze grote uitdaging die bekering heet.

Heel de schepping is, samen met ons, geroepen om zich te verlossen “uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8,21). De Veertigdagentijd is het sacramentele teken van deze bekering. Deze roept de christenen op om nog intenser en concreter het paasmysterie te incarneren in hun persoonlijk leven, in hun gezinsleven en hun sociale leven, vooral door te vasten, te bidden en aalmoezen te geven.

Vasten, ofwel leren om onze houding richting de anderen en de schepselen te veranderen: van de neiging om alles te ‘verorberen’ om onze gulzigheid te stillen, tot het vermogen om te lijden uit liefde, die de leegte in ons hart kan vullen.

Bidden om de afgoderij en het vertrouwen op onszelf alleen te kunnen opgeven, en om toe te geven dat we de Heer en zijn barmhartigheid nodig hebben.

Aalmoezen geven om de waanzin achter ons te laten dat we alles beleven en verkrijgen voor onszelf, in de illusie dat we onszelf zo verzekeren van een toekomst die ons niet toebehoort. Om zo de vreugde te hervinden van het plan dat God voor de schepping en voor ons hart heeft gemaakt: om Hem, onze broeders en zusters en de hele wereld lief te hebben, en in deze liefde het ware geluk te vinden.

Hoop van Christus brengen

Beste broeders en zusters, de Veertigdagentijd van de Zoon van God was een binnengaan in de woestaan van de schepping om die weer te veranderen in een tuin van eenheid met God, die de eerste zonde van het begin der tijden was (vlg. Mc. 1,12-13; Jes. 51,3).

Dat wij tijdens onze Veertigdagentijd eenzelfde weg mogen afleggen, om de hoop van Christus ook te brengen aan de schepping, die “verlost zal worden uit de slavernij der vergankelijkheid en zal delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8,21).

Laat deze gunstige tijd niet tevergeefs voorbijgaan! Laten we God vragen om ons te helpen om werk te maken van een weg van ware bekering. Laten we het egoïsme achter ons laten, die gefixeerde blik op onszelf, en laten we ons richten op het Pasen van Jezus; laten we ons tot naasten maken van onze broeders en zusters in moeilijkheden, door ons geestelijke en materiële bezit met hen te delen.

Door zo in ons concrete leven de overwinning van Christus op de zonde en de dood te onthalen, zullen we diens transformerende kracht ook naar de schepping toetrekken. (Vert. SK)