

Ik begeef me op gevaarlijk terrein: ik begin te schrijven over het belang van buitenspelen. De kans bestaat dat ik hier om twee uur ’s nachts nog zit te bonken op mijn laptop. (Voor het vervolg verwijs ik dan ook graag door naar mijn blog.)
Buitenspelen lijkt op het eerste gezicht misschien weinig van doen te hebben met het gelovig gezinsleven. Toch geloof ik dat er raakpunten zijn. Diepe raakpunten zelfs.
Momenteel is ons uurrooster van huisonderwijs zo dat we tegen het middageten klaar zijn met het formele schoolwerk. De middag is geheel gereserveerd voor vrij spel buiten en tuinwerk. En ik hoop die indeling lang zo te kunnen houden! Kinderen hoeven geen uren en uren op de schoolbanken te zitten voor wat ze moeten leren, is mijn ervaring. Hoe korter hoe krachtiger.
Tegen dat middageten zijn de jongens doorgaans zo opgefokt dat ze elkaar met twintig kilometer per uur achterna zitten rond de keukentafel, wat meteen de eerste reden voor het buitenspelen uitmaakt.
Kinderen moeten kunnen bewegen, rennen, klauteren en springen, en ik ben nog niet zo vergevorderd in mijn ascese dat het me niets doet als ik mijn kinderen zie slingeren aan de luster als een aap. Het moet dus buiten.
Daarnaast is buitentijd ook gunstig voor mij als moeder. Het is zoveel gemakkelijker om plezier te halen uit het gezelschap van mijn kinderen als we in de tuin zijn. Buiten is er immers geen wasmand die naar mij staat te loeren of taartingrediënten die “bak mij!” roepen. Buitentijd is relationele tijd. Een voortreffelijke tijd voor conversatie en ‘gewoon’ samen rondhangen.
Buitentijd moedigt daarenboven de fantasie aan. Voor ik het boek Ten ways to destroy the imagination of your child las, had ik er nooit bij stilgestaan dat de buitenlucht unieke ervaringen biedt, waarvoor het binnenleven niet zo snel een surrogaat kan verzinnen.
Ik durf te citeren uit dit heerlijk ironische boek van Anthony Esolen:
“Maar het grootste gevaar van buitenspelen is de buitenwereld zelf. Dat is de bron van verwondering. Dat kan allen verpesten. Ten eerste is er wat ooit het hemelgewelf werd genoemd, een weidse koepel boven ons, vaak diepblauw, maar paars en karmozijnrood en feloranje en bleekjes geel bij zonsopgang en zonsondergang, met soms zelfs een likje nauwelijks zichtbaar groen tussen het geel en het blauw. De lucht bevat, zoals je misschien weet, allerlei interessante en schadelijke dingen, wolken opgestapeld als torens, wollige mistflarden, klapwiekende vogels, en wanneer de zon onder is gegaan, die merkwaardige lichtpuntjes die we sterren noemen.” [vert. KN]
Kinderen hoeven geen uren en uren op de schoolbanken te zitten voor wat ze moeten leren, is mijn ervaring. Hoe korter hoe krachtiger.
Een kind dat niet de ervaring heeft van het buiten vertoeven, zal nooit kunnen uitroepen met de psalmist: “Als Uw hemel ik zie – Uwer vingeren werk, maan en sterren die Gij daar stelde, wat is dan de mens dat Gij acht op hem slaat, het mensenkind dat Gij hem aanziet?” (Ps. 8:4-5)
Buiten zijn inspireert. Niet voor niets raadt bestsellerauteur Cal Newport in zijn boek Digitaal minimalisme aan om lange wandelingen te maken om innerlijk vernieuwd te worden.
Lange, repetitieve activiteiten in de buitenlucht: ze zijn als geen ander in staat om ons hoofd leeg te maken en te vullen met inspiratie. (Deze column schreef ik in feite toen ik mijn tomatenplanten aan het dieven was.)
Buiten spelen heeft volgens mij diepe raakpunten met het geloofsleven. Het gaat over een zoektocht naar het essentiële, over een doordringen tot de essentie van de dingen. Hoe meer je buiten bent, leert tuinieren of je voedsel zelf produceert, hoe meer je leert over hoe God is. Als je ogen er maar voor openstaan, of zoals Guido Gezelle zo mooi zegt: “als de ziele luistert”.
Er zijn geen artikelen gevonden