
“Wie haalt de tienerzoon morgen op na zijn les programmeren?” wil manlief op vrijdagavond weten. “Hij is klaar om kwart voor elf.”
Ik denk even na. De dochter heeft om half elf piano; als ik haar breng kan ik vervolgens doorrijden naar de zoon, en onderweg nog snel een paar boodschappen doen. “Prima plan”, beamen zij. En daarmee is het afgesproken.
Die zaterdagochtend bedenk ik om een uur of tien dat er nog biebboeken moeten worden teruggebracht. Een mooi klusje voor de jongste; die kan dan heerlijk fietsen in het lentezonnetje.
Ik laat de afwas halverwege staan en stop de boeken in een rugzak, terwijl de zoon zijn fiets uit de garage haalt. Dochterlief zoekt intussen haar partituren bij elkaar en trekt jas en schoenen aan, want wij tweeën moeten zo meteen vertrekken.
De echtgenoot, die op zolder met iets technisch bezig is, krijgt nog snel een korte briefing over wie wanneer en waar wat gaat doen, en dan haast ik me de auto in. “Heb ik om elf uur geen gitaarles?”, vraagt de jongste nog vlak voor ik wegrijd.
O ja, dat klopt. Niet meer aan gedacht. “Naar huis komen om tien voor elf dan. En voorzichtig op de fiets”, geef ik mee uit het autoraampje. Dan ga ik, want anders komen we te laat. Ik beslis de echtgenoot niet te bellen over de gitaarles; die leidt dat ook zo wel in goede banen.
Wanneer de pianiste veilig en wel bij haar juf is, werk ik gezwind alle andere onderdelen van mijn programma af. Van de slager en de bakker via de apotheek naar de bank, met en passant nog een gezellig praatje met de mama van een klasgenootje. En dan rijd ik huiswaarts.
Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van haar schoot?
Het is kwart over elf, de zon schijnt, en ik heb alles onder controle. Ik glimlach en zie mezelf in gedachten op een podium staan, een bos bloemen in de hand en een medaille om de hals: ziehier de Moeder Die Haar Zaakjes Mooi Op Orde Heeft.
Thuis zet ik de boodschappen op de juiste plaats en ga ik door met de afwas. Op dat moment krijg ik gezelschap van manlief. Of de tienerzoon het in de programmeerles naar zijn zin had? Oeps. De tienerzoon. Daar heb ik in al mijn efficiëntie niet meer aan gedacht.
Terwijl vader in de auto springt om hem te gaan ophalen, denk ik aan de woorden van Jesaja: “Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van haar schoot?” (49, 15) En ik voel me meteen een waardeloze mama. Weg bloemen en medaille, hallo schuldgevoel.
Tegen de tijd dat vader en zoon thuiskomen – die laatste gelukkig verre van getraumatiseerd en zelfs maar een klein beetje verontwaardigd – is daar nog een ander bijbelvers bijgekomen. Ik neem mijn Bijbel ter hand om de precieze bewoordingen op te zoeken.
En daar staat het, zwart op wit, in Spreuken 18,12: “Voor de val is het hart van de mens hoogmoedig, maar aan de glorie gaat de deemoed vooraf.”
Dat was het dus: hoogmoed. Ik was niet alleen mijn zoon vergeten, maar ook de nederigheid. En nog geen half uur later donderde ik onelegant van het voetstuk waar ik zelf op geklommen was. Ziedaar de Moeder Die Zichzelf Teveel Eer Toedichtte – en van God een friendly reminder kreeg.
Er zijn geen artikelen gevonden