
Tijdens de algemene audiëntie van 18 maart legde paus Leo XIV waarom alle gelovigen deel uitmaken van het gemeenschappelijk priesterschap van de Kerk.
De concilievaders leren dat Jezus door het nieuwe en eeuwige Verbond een koninkrijk van priesters heeft ingesteld en zijn leerlingen heeft gevormd tot een “koninklijk priesterschap” (1 Petr. 2,9; vgl. Ap. 1,6).
Dit gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen wordt geschonken in het doopsel, dat ons in staat stelt “het geloof, dat zij door de Kerk van God hebben ontvangen, voor de mensen te belijden”.
Bovendien zijn alle gedoopten door het sacrament van het vormsel “nog meer gehouden om, als getuigen van Christus, door woord en daad het geloof te verbreiden en te verdedigen” (Lumen gentium). Dit is de basis van de gemeenschappelijke zending die gewijde bedienaren en leken verenigt.
Dit artikel is niet gevonden
De uitoefening van het koninklijk priesterschap gebeurt op vele manieren, allereerst door deel te nemen aan het offer van de Eucharistie. Door gebed, vasten en actieve naastenliefde getuigen wij zo van een leven dat door Gods genade is vernieuwd.
Zoals het Tweede Vaticaans Concilie samenvat: “Het heilig en organisch karakter van deze priesterlijke gemeenschap wordt gerealiseerd door de sacramenten en de deugden.”
‘Laten wij dankbaar zijn dat wij deel uitmaken van het Volk van God’
De concilievaders leren verder dat het heilige volk van God ook deelneemt aan de profetische zending van Christus. In deze context wordt het belangrijke thema van de geloofszin en de instemming van de gelovigen geïntroduceerd.
Het concilie preciseerde dat deze sensus fidei “als een vermogen van de hele Kerk is, waardoor zij in haar geloof de overgeleverde openbaring herkent, het ware van het valse onderscheidt in geloofszaken en deze tegelijk dieper doorgrondt en vollediger in het leven toepast”. De geloofszin behoort dus niet aan individuele gelovigen op zichzelf toe, maar aan hen als leden van het volk van God als geheel.
Lumen gentium richt de aandacht op dit laatste aspect en brengt het in verband met de onfeilbaarheid van de Kerk. “De gemeenschap als geheel van de gelovigen, die een zalving van de Heilige Geest hebben ontvangen, kan niet dwalen in het geloof.”
Uit deze eenheid, die door het kerkelijk leergezag wordt bewaard, volgt dat elke gedoopte geroepen is om een samenhangend getuigenis van Christus te geven volgens de profetische gave die de Heer aan heel zijn Kerk schenkt.
Dit artikel is niet gevonden
De Heilige Geest, die ons door de verrezen Jezus wordt geschonken, schenkt immers “aan de gelovigen van iedere rang ook speciale genaden, waardoor Hij hun de geschiktheid en de bereidheid geeft om allerlei werken of taken op zich te nemen voor de vernieuwing en bredere uitbouw van de Kerk”.
Dierbaren, laten wij in ons het bewustzijn en de dankbaarheid hernieuwen dat wij het geschenk hebben ontvangen om deel uit te maken van het volk van God; en ook de verantwoordelijkheid die dit met zich meebrengt. (Vertaling: Susanne Kurstjens)
Er zijn geen artikelen gevonden