<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Inspiratie

‘Door de deur van onze zwakheid komt Gods verlossing binnen’

KN Redactie 9 augustus 2018
image
Foto: CNS - Paul Haring

Tijdens de algemene audiëntie van 8 augustus sprak paus Franciscus over hoe succes, macht en geld je tot een slaaf maken.

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

We gaan vandaag verder met het bespreken van de Tien Geboden. We zullen dieper ingaan op het onderwerp afgoderij, waar we vorige week al over spraken. Vandaag gaan we verder met dit onderwerp, omdat het erg belangrijk is meer daarover te weten. En we beginnen met de afgod bij uitstek, het gouden stierebeeld waarover gesproken wordt in het boek Exodus (32,1-8); we hebben net een passage daaruit gehoord. Deze gebeurtenis kent een precieze context: de woestijn, waar het volk wacht op Mozes die de berg op is gegaan om instructies van God te ontvangen.

Onzekerheid in het leven

Wat is de woestijn? Het is een plek waar onduidelijkheid en onzekerheid heersen – in de woestijn is er niets –, het is een plek waar water, voedsel en een schuilplaats ontbreken. De woestijn staat symbool voor het menselijk leven, dat onzeker is en waar geen enkele onwankelbare garantie geldt. Deze onzekerheid doet in de mens primaire angsten ontstaan en Jezus spreekt daarover in het Evangelie: “Wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken?” (Mt. 6,31). Dat zijn de primaire angsten. En de woestijn roept die angsten op.

En in die woestijn gebeurt iets dat de afgoderij opwekt: “Toen Mozes maar wegbleef en niet naar beneden kwam…” (Ex. 32,1). Hij bleef daar veertig dagen en de mensen verloren hun geduld. Hun referentiekader, Mozes, ontbrak. En ze zeggen tegen Aäron: “Maak een God voor ons die voor ons uit kan gaan, maak een hoofd, maak een leider.” Om aan de onzekerheid, de onzekerheid die de woestijn is, te ontkomen, zoekt de menselijke natuur naar een ‘doe-het-zelfreligie’: als God zich niet laat zien, maken wij een god op maat.

Bij een afgod loop je niet het risico geroepen te worden tot iets dat je wegrukt uit je eigen zekerheden, want de afgoden “hebben een mond – maar zij kunnen niet spreken” (Ps. 115,5). We begrijpen dan dat de afgod een excuus is om jezelf in het centrum van de werkelijkheid te plaatsen, in de aanbidding van het werk van de eigen handen.

Succes, macht en geld

Aäron weet geen weerwoord te bieden aan de roep van de mensen en maakt een gouden stierebeeld. De stier had een dubbele betekenis in het oude nabije oosten: aan de ene kant stond die voor vruchtbaarheid en overvloed, en aan de andere kant voor energie en kracht. Maar vooral is die van goud en dus een symbool van rijkdom, succes, macht en geld.

Dat zijn de grote afgoden: succes, macht en geld. Dat zijn al van oudsher de verleidingen! Dat is dus waar het gouden stierebeeld voor staat: het is een symbool voor alle verlangens die je de illusie van vrijheid geven en je ondertussen tot slaaf maken, want een afgod maakt altijd een slaaf van je. Er is sprake van fascinatie en weg ben je. Die fascinatie als van een slag die kijkt naar een vogeltje. En het vogeltje kan zich niet bewegen en de slang grijpt hem. Aäron wist zich er niet tegen te verzetten.

Onvermogen op God te vertrouwen

Maar alles ontstaat vanuit het onvermogen vooral op God te vertrouwen; om onze zekerheden aan Hem toe te vertrouwen; om het aan Hem over te laten ware diepgang te geven aan de verlangens van ons hart. Dat maakt het mogelijk om ook om te gaan met zwakheid, onzekerheid en onduidelijkheid.

God als referentiepunt nemen, maakt ons krachtig in onze zwakheid, in onze onzekerheid en ook in onze onduidelijkheid. Als je God niet op de eerste plaats zet, verval je gemakkelijk in afgoderij en neem je genoegen met armzalige geruststellingen. Maar dat is een verleiding waarover we steeds weer lezen in de Bijbel.

Afgoderij uit je hart snijden

En denk hier goed aan: het heeft God weinig moeite gekost om het volk te bevrijden uit Egypte; Hij deed dat met tekenen van kracht, van liefde. Maar het grote werk van God was dat Hij Egypte uit het hart van de mens wegsneed, ofwel dat Hij de afgoderij uit het hart van de mensen wegsneed. En God blijft maar werken aan het wegsnijden van de afgoderij in onze harten. Dat is het grote werk van God: het ‘Egypte’ dat wij in ons zelf dragen, namelijk de fascinatie voor de afgoderij, wegsnijden.

Wanneer je de God van Jezus Christus aanneemt, die rijk was, maar zich arm heeft gemaakt voor ons (vlg. 2Kor. 8,9), ontdek je dat je eigen zwakheid erkennen geen schande is in het menselijk leven, maar een voorwaarde om je te openen voor Degene die werkelijk krachtig is. Door de deur van de zwakheid komt dus de verlossing van God binnen (vlg. 2Kor. 12,10); in de kracht van zijn eigen tekortkomingen opent de mens zich voor het vaderschap van God. De vrijheid van de mens ontstaat wanneer hij de ware God toestaat om de enige Heer te zijn. En dat maakt de weg vrij om je eigen kwetsbaarheid te aanvaarden en om de afgoden van ons hart af te wijzen.

In Christus is onze zwakheid niet langer een vloek

Wij christenen richten onze blik op de gekruisigde Christus (vlg. Joh. 19,37), die zwak is, geminacht wordt en ontdaan is van al zijn bezittingen. Maar in Hem wordt het gezicht van de ware God zichtbaar, de glorie van liefde en niet die van de glinsterende afzetterij. Jesaja zegt: “Dankzij zijn striemen is er voor ons genezing” (53,5). Wij zijn genezen door de zwakheid van een man die God was, door zijn striemen. En via onze zwakheden kunnen we ons openstellen voor Gods verlossing.

Onze genezing komt van Degene die zich arm heeft gemaakt, die mislukking heeft aanvaard, die onze onzekerheid helemaal op zich heeft genomen om die te vullen met liefde en kracht. Hij komt om ons het vaderschap van God te onthullen; in Christus is onze zwakheid niet langer een vloek, maar een ontmoetingsplek met de Vader en bron van nieuwe kracht die van boven komt. (Vert. SvdB)