fbpx
<

Geef om katholieke journalistiek

doneer
Interview

‘Zonder gebed geen geloofsleven’

Jan Peeters 13 februari 2019
image
Mgr. Van den Hende: 'God laat ons niet met lege handen staan.' Foto: KN/Jan Peeters

Bidden, het gesprek met God, is voorwaarde voor een volwassen geloofsleven. Dat zegt mgr. Hans van den Hende in een terugblik op het Jaar van Gebed dat het bisdom Rotterdam vorig jaar hield.

Gebed is zo fundamenteel voor het persoonlijke geloofsleven dat het bisdom Rotterdam er in 2018 een themajaar aan wijdde. Bisschop Hans van den Hende (55) kijkt er met dankbaarheid op terug. “Misschien bouwen we in een kleiner en kwetsbaarder wordende kerkgemeenschap meer op Gods kracht en op wat Hij te zeggen heeft dan op wat wij menen te moeten doen”, aldus Van den Hende.

“God laat ons niet met lege handen staan. De Heer geeft voldoende in het Woord van de Schrift, in de sacramenten raakt Hij ons aan, net als in de gemeenschap van de Kerk, die ons gegeven is als geschenk. Dat is iets anders dan alleen maar warme ervaringen. Het betekent ook strijd en ontlediging. Dat hoort allemaal bij het vinden van God en bij het opnieuw als gelovige in de wereld staan. Met vele heiligen zullen we zien dat het niet altijd zonder offers kan.”

Wat bedoelt u met strijd?

“Daarmee bedoel ik dat je het spanningsveld kent tussen bijvoorbeeld wel of niet bidden. Je kunt ook televisie kijken of de krant lezen. Dat kan soms aantrekkelijker lijken dan een moment in stilte te bidden, een psalm te overwegen of het evangelie van de dag te lezen. Dat is een strijd waar de wereld niet van wakker ligt, maar die je in je eigen leven zult moeten aangaan. Dat geldt ook voor de kerkgang. Hou ik die vast? Ga ik op zondagmorgen met z’n allen ontbijten omdat iedereen thuis is, of maak ik de keuze de Eucharistie mee te vieren?

Het kan ook iets heel anders zijn. Als je in je kerkgemeenschap mensen treft die je totaal niet kunt uitstaan, bijvoorbeeld. Dan moet je beseffen dat God hen evenzeer bemint als Hij jou bemint. Dat besef kan heel irritant zijn en ook dat is strijd.

Maar het kan ook over je werk gaan of een situatie op school, dat je soms iets moet zeggen over wat wij van het leven vinden, dat je dat niet zomaar kunt beëindigen en dat je zorg moet hebben voor het ongeboren kind. Heb je de strijd ervaren of je je mond houdt of er iets over moet zeggen?

Die strijd speelt zich af in alle domeinen van ons leven. Wat kies ik? Waar ga ik voor? Die strijd is verre van gemakkelijk en moet niet leiden tot zelfmedelijden, maar hoort bij het met Christus leven en sterven.”

Paus Franciscus wijst er regelmatig op dat die strijd het gevolg is van het Kwaad, dat je van het goede probeert af te houden.

“Dat klopt en dat is goed. In onze tijd spreken velen over ‘kwade machten’, maar weinigen beseffen dat het kwaad iemand is – iemand die er belang bij heeft dat ik stop met bidden, dat ik onverschillig of somber ben.

Als God als een persoon wordt beleden, dan is bidden, het ontvangen van je roeping en het afleggen van verantwoording daarover in gebed een echte relatie. Het kwaad werkt ook zo. Het is iemand die mij van God wil afhouden en het slechte in de wereld wil bevorderen – en dus is het óók een relatie waarin ik ja of nee kan zeggen.

Het is daarbij voor ons christelijk leven wel heel fundamenteel te beseffen dat wij geloven dat God de wereld verlost heeft door het lijden en sterven en verrijzen van Christus. God, die goed is, en de duivel, die kwaad is, spelen dus niet als het ware op gelijke hoogte een spel met ons, waarbij wij maar moeten zien hoe het uitpakt. Nee, wij geloven dat we eens en voor altijd verlost zijn, maar dat het kwaad, de duivel, rondgaat zolang hij daartoe de macht heeft, maar zonder dat hij de eindregie over Gods plan voert. We kunnen altijd bij God terecht om bescherming en kracht. Dit komt onder meer tot uiting in Schriftlezingen in de completen van het getijdengebed (1 Petrus 5, 8-9a / Efeziërs 4, 26-27).”

U heeft verschillende keren gesproken over vruchten van het Jaar van Gebed?

“Als je als bisdom zo’n Jaar van Gebed begint, dan sluit je aan bij wat Jezus zelf als belangrijk benadrukt. Hij laat zien dat bidden belangrijk en noodzakelijk is. Je ziet dat ook de leerlingen verlangen naar gebed. Er zijn oproepen tot gebed, zoals in het Lucasevangelie en de brieven: ‘Bid zonder ophouden.’ Als je in deze tijd christen wilt zijn, kun je niet anders dan Jezus’ gebed, dat van zijn leerlingen en de oproep om te bidden goed verstaan. Dat weten we misschien allemaal wel, maar het is belangrijk aan te sluiten bij wat de Heer zelf doet, geeft en vraagt. Naar aanleiding van het Jaar van Gebed is op veel plaatsen ook meer aandacht voor het gebed gekomen.

Een van mijn grote wensen zou zijn dat elke parochie, naast een parochiebestuur en een klussengroep voor het onderhoud, een gebedsgroep heeft die bidt voor zaken die wij als bisdom aanreiken. Denk aan roepingen, maar ook voor rechtvaardigheid in onze samenleving, voor het welslagen van evangelisatie en voor een vruchtbare catechese voor vormelingen. Maar ook voor dingen binnen je eigen parochie: voor als er een nieuwe pastoor moet worden gezocht, voor de vrijwilligers, voor de zieken of voor mensen die het op een andere manier moeilijk hebben. Dat zou ik graag in het bisdom zien ontstaan.”

Ziet u dat ook concreet gebeuren?

“Ik merk nu, en dat is niet iets dat je kunt ‘organiseren’, dat er op plaatsen waar al gebedsgroepen waren, met meer enthousiasme wordt gebeden. Op andere plekken ontstaan gebedsinitiatieven en wordt er gevraagd om intenties om voor te bidden. Dat vind ik een grote vrucht: dat er in ons bisdom het besef groeit dat je als netwerk van liefde ook een biddend netwerk bent. En dat iedere persoon die tijd vrijmaakt voor gebed en anderen daartoe aanmoedigt, een belangrijke bijdrage levert aan de voortgang van de gemeenschap van de Kerk.

Een tweede belangrijke vrucht is dat we het gebed ook verbinden met het vieren van de sacramenten. Het gebed is niet alleen wat ik individueel in een hoek van de kamer doe, maar ook wat ik samen met de gemeenschap op zondag vier in de Eucharistie, als bron en hoogtepunt. Dat staat voor mensen weer helder op de kaart. Ik zie ook dat eucharistische aanbidding, die lange tijd weg is geweest, op veel plaatsen met grote ijver wordt georganiseerd, door gebedsgroepen, maar ook in onze kathedraal waar elke weekdag na de Mis van half tien aanbidding is tot het donker wordt. Dat is op meer plaatsen zo.”

Wat is er zo bijzonder aan de aanbidding?

“Een belangrijk aspect van het kerkelijk leven is bij de Heer zijn. Mensen beseffen dat als je in de Eucharistie bent, en de Heer gastheer en het voedsel is en bij ons blijft in het tabernakel, Hij net zo dicht bij ons is als Hij destijds bij de apostelen was. Dat betekent dat wij de mogelijkheid hebben om dicht bij de Heer te zijn en om van Hem uit te vertrekken om ons christelijk leven te leiden.

Niet iedereen kan even lang stilzitten. Maar er is een groeiende groep die beseft dat God een persoon is die met jou een relatie aangaat en een dialoog voert, en dat dat gesprek heel bijzonder en intens wordt als je Hem gezelschap houdt. Dat besef is een tijdje weggeweest, maar wordt herontdekt. Het verblijven bij de Heer voor of na de Eucharistie is voor veel mensen een verdieping van hun geloof geworden. Het is een biddende vorm van kerkopbouw.”

Ziet u ook andere vruchten?

“De bloei is nog niet optimaal, maar ik zie wel dingen uitbotten. Dan gaat het niet alleen om ‘doorgewinterde’ mensen zijn die al zestig jaar meelopen, maar ook om jongere mensen en gezinnen. Misdienaars bijvoorbeeld, die beseffen dat ze ook moeten bidden, als persoonlijk engagement in de gemeenschap van de Kerk en in je eigen leven. Ik zie het als een grote vrucht dat we het bidden zien als een verantwoordelijkheid. Dat we niet alleen uit zijn op iemands welzijn, maar ook op iemands gebedsleven. Dat we mensen uitnodigen om te bidden, of hun te beloven dat je voor hen bidt. Dat gebed zo een zichtbare arbeid wordt van de Kerk. Dat is door het Jaar van Gebed gegroeid en ik hoor dat terug van mensen.

Er wordt al snel gezegd dat je niet alleen maar hoeft te bidden. Je moet wél bidden. Maar daar hoort natuurlijk óók het apostolaat bij wat je krachtens dat gebed mag doen. Ik zeg niet dat door het Jaar van Gebed nu alle 473.000 katholieken in ons bisdom ’s avonds weer de rozenkrans bidden, maar de kans dat dat gebeurt, is wel groter geworden.”